Therapeuten zijn kopschuw na zeden-affaires; Gij zult niet aanraken

Na een paar geruchtmakende gevallen van seksueel misbruik is onder therapeuten iedere persoonlijke betrokkenheid verdacht geworden. De Haagse psychiater Corsmit wordt iedere vorm van gebrek aan professionele afstand verweten, behalve nota bene op het seksuele vlak. Sommige hulpverleners vinden dat de scherpe eis van afstandelijkheid meer schade berokkent dan goed doet. Verslag van een discussie, waarin idealen van de jaren zeventig en de jaren negentig tegenover elkaar lijken te staan.

'Ward Corsmit straalde met zijn lange gouden lokken iets ongelooflijk magistraals uit. Eindelijk had ik de goede therapeut gevonden. Niet zo'n meewarige ja-knikker, niet zo'n zurig pruimebekje, maar een man die mij echt onder handen zou nemen”, schreef Jan Lindeboom (43, computerdeskundige) in zijn dagboek. Van 1981 tot 1983 woonde hij op De Boeckhorst, een psychotherapeutische woon-werkgemeenschap, waar Ward Corsmit tegelijkertijd functioneerde als psychiater, huisgenoot en vriend. Lindeboom bracht er zijn dagen door met soefi-meditatie, yoga, haptonomie, psychodrama, wc's schoonmaken, zorgen voor de huisdieren, en meer ongewone therapievormen. “Twee jaar heb ik blaadjes geharkt in Corsmits Japanse tuin. Dat zie ik als een metafoor voor de grote schoonmaak in mijzelf.”

Corsmit dreigt deze herfst uit het doktersambt te worden gezet omdat het Medisch tuchtcollege zijn behandelmethodes “niet als gangbaar” beschouwt, maar vooral omdat hij “een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de professionele distantie die een therapeut ten aanzien van zijn cliënt in acht hoort te nemen”. Daarmee is nadrukkelijk niet seksueel misbruik bedoeld. Het Medisch tuchtcollege wil de psychiater, die al jaren overhoop ligt met vakgenoten en verzekeraars, nu eindelijk royeren. Corsmit ging in cassatie bij de Hoge Raad, die in november uitspraak zal doen.

Is het de angst voor seksueel misbruik, die maakt dat het belang van professionele afstand via deze zaak wordt benadrukt? “De inspectie is anno 1996 niet uit op een 'nieuwe kuisheidsgolf' maar vindt het bewaken van grenzen essentieel”, schreef J. Lucieer, regionaal inspecteur voor de gezondheidszorg in Zuid-Holland, in maart in Medisch Contact. Aanleiding voor Lucieers schrijven was onder andere de zaak-Corsmit en de zaak van de psychiater Oudshoorn, die in januari zelfmoord pleegde nadat hij was geschorst vanwege een uit de hand gelopen vriendschap met een patiënt.

“Niet ter zake doende lichamelijke nabijheid” betekent grensoverschrijding, schrijft Lucieer. Aanraken is dus al taboe, zelfs een gewone of een haptonomische hand op een schouder. Verder schrijft Lucieer dat de therapeutische relatie niet mag worden verward met vriendschap. En zelfs: “Bij de eerste signalen van onbeheersbaar grensvervagend gedrag, bijvoorbeeld bij verliefdheid, moet de hulpverlener de behandelrelatie beëindigen of aan een collega overdragen”.

Maar wat gaat er verloren als hulpverleners bang worden voor intimiteit, verliefdheid en betrokkenheid? In het meinummer van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid schrijft Leo de Nobel, directeur van het Nederlands Psychoanalytisch Instituut: “Brengt een consequente toepassing van de leerstellingen van neutraliteit en abstinentie in een aantal gevallen geen ernstiger schade aan de patiënt dan concrete persoonlijke betrokkenheid van de behandelaar?”

Zakdoek aanreiken

Aan Lucieer de vraag of angst voor verliefdheid niet tot al te formeel gedrag zal leiden? “Te veel èn te weinig afstand zijn beide onproduktief en schadelijk voor de patiënt.” Waarom? “Omdat de relatie ongelijkwaardig is.” Bovendien is het doel van een behandelrelatie dat die weer ophoudt en de patiënt zelfstandig verder kan. De psychiater mag de patiënt daarom niet onnodig aan zich binden, vindt Lucieer. “Aan een collega die zich onzeker voelt over de balans tussen afstand en nabijheid vraag ik: zit jij niet al op de grens? Ik heb maar één oproep voor onzekere collega's: ga met je therapieën op band of video naar een collega, bespreek ze en laat je corrigeren. Ga opnieuw in supervisie. Ook op oudere leeftijd blijven deze valkuilen op je weg.”

Het in acht nemen van grenzen hoeft niets af te doen aan je betrokkenheid als therapeut, verdedigt Lucieer zich. “Als ik overkom als een koele kikker die de nieuwe zakelijkheid wil introduceren, is dat onterecht. Wanneer een patiënt huilt, moet de therapeut dat respecteren of erop in gaan: ik zie dat je veel verdriet hebt. Maar een huilende patiënt op schoot nemen is geen professionele attitude. Ik zou ook geen arm om iemand heen slaan. Ik zou een zakdoek aanreiken en mij verder in verbale zin zo betrokken en tegelijk zo professioneel mogelijk tonen.”

Alle grensoverschrijdingen - aanraken, over je eigen huwelijk praten, je voortuintje laten schoffelen, samen hardlopen - betekenen volgens Lucieer dat de patiënt vraagt om exclusiviteit, “om een bijzonder plekje bij de psychiater”.

Lachen

Seks tussen therapeut en patiënt mag nooit, maar er zijn andere regels die je soms moet overtreden, vindt psychoanalyticus Leo de Nobel. Niets kan zoveel betekenen voor een patiënt als proeven van die verboden vrucht van exclusiviteit, merken dat hij iemand is voor de therapeut. “Na alles wat we bedacht hebben over wat belangrijk is in een mensenleven blijkt het simpele feit dat je merkt dat je er voor een ander toe doet, fundamenteel. Het kan immens heilzaam zijn als een patiënt merkt dat zijn verhalen inwerken op de therapeut als persoon.”

De Nobel is als psychoanalyticus opgeleid met het credo dat de therapeut zich volkomen anoniem en neutraal moet opstellen om de zich ontvouwende binnenwereld van de patiënt op geen enkele manier te kleuren. “Voor een van mijn vroegere patiënten was het omslagpunt in de therapie het moment dat ik echt moest lachen om iets wat hij vertelde. Louter zijn gevoel dat ik omwille van hèm uit mijn rol viel.” Hij kan zich daarom in de oude leer niet meer vinden. “Een consequent neutrale opstelling is strijdig met het fatsoenlijke, nette en aardige. Je kunt mensen vreselijk tekort doen door te zwijgen op momenten dat zij je reactie bikkelhard nodig hebben.”

Sommige regels die de inspectie naar aanleiding van de recente zedenzaken onderstreept, gaan De Nobel te ver. “De beroepscode geeft een aantal imperatieven. Gij zult niet aanraken, bijvoorbeeld. Omdat een aanraking soms verkeerd kan uitpakken, doe het dan maar liever nooit. Maar better safe than sorry is geen goede reden. Stel dat je patiënt laat blijken een aanraking vreselijk goed te kunnen gebruiken. Je doet hem of haar dan echt tekort door dat louter te bespreken en niet in bepaalde situaties gewoon een keer te doen. Ja, ik raak patiënten soms aan.”

De Nobel vindt dat een goede therapeut verliefd op zijn patiënt moet kunnen zijn. “Je vraagt van je patiënten ook om sterke gevoelens te kunnen verdragen zonder ze in daden om te zetten.” Hij durft het zelfs om te draaien. Verliefdheid is een kans die de therapeut kan aanwenden ten gunste van de therapie. “Om te beginnen kun je je afvragen waarom je verliefd bent, waarom juist nu, waarom op deze patiënt? Verliefdheid kan iets zeggen over wat er aan de hand is in de therapie. Je bent dichtbij iets wat de patiënte niet mooi vindt in zichzelf en als afleidingsmanoeuvre probeert ze je tot minnaar te maken.” Als je die gevoelens van verliefdheid maar bespreekt met een collega, vindt De Nobel. “In de verslagen van zaken rond seksueel misbruik is me opgevallen dat overleg met collega's altijd ontbrak. Nooit hadden ze eens aan hun wijze oude supervisor opgebiecht dat ze met hun patiënt naar bed wilden.”

Is hij zelf minder spontaan geworden in zijn contact met patiënten door de hausse aan zedenzaken? “Eigenlijk niet”, antwoordt hij, voorzichtig. “Ik ben me niet terughoudender, defensiever of krampachtiger gaan gedragen, maar het heeft wel geleid tot een veel helderder bewustzijn van wat er eigenlijk aan de hand is op die momenten dat de mogelijkheid zich voordoet.”

Bij collega's bemerkt hij veel angst door de zaak-Oudshoorn. De zaak-Corsmit is extremer en daardoor minder herkenbaar, en is niet in de publiciteit geweest. “Bijna niemand wist het fijne van Oudshoorns misstap. Alles stond onder de titel het is te ver gegaan. Maar wat was dan het? Was het alleen de persoonlijke betrokkenheid? Dat leidt dan weer tot better safe than sorry. Weer terugdeinzen voor alles wat op dat precaire terrein zou kunnen gebeuren. Vooral oudere collega's zijn geschrokken en gaan terug naar af. Ik vind dat buitengewoon jammer voor hun patiënten die profijt trokken van het feit dat hun behandelaars zich persoonlijk wat opener durfden te gaan tonen.”

Geloof

“Ik was verliefd! Ik had het toch maar geflikt! Hoezo affectief gestoord? Ik was verdomme de enige op de hele Boeckhorst die erin geslaagd was verliefd te worden! Ik was benieuwd wat Ward daarvan zou vinden”, schreef Jan Lindeboom in zijn dagboek. Ward Corsmit beschouwde zijn verliefdheid als een vlucht en dat betekende ruzie en een tumultueus vaarwel. De ruzie kondigt zich aan in steeds spottender wordende dagboekaantekeningen: “Echt volwassen mensen zijn vaak gelovig, vertelde hij ons. Wij prentten ons dit in. Als Ward over zulke gewichtige zaken sprak vulde de kamer zich met een sacrale sfeer. In stilte dronken wij zijn woorden.” Maar toen Lindeboom vorig jaar het dagboek herlas omdat hij over de zaak tegen Corsmit had gehoord, deed hij een verrassende ontdekking: de twee jaar die hij doorbracht op De Boeckhorst blijken achteraf het keerpunt in zijn leven. “Ik was een verstofte steppenwolf”, zegt hij nu, poëtisch, “maar na De Boeckhorst ontpopte ik me als een sociaal en creatief mens. Ik ging op balletles, speelde toneel en zag mijzelf ineens omringd met allerlei vriendschappelijke contacten.”

Zoals alle omstreden artsen heeft Corsmit patiënten die hem adoreren en patiënten die hem aanklagen. Sommigen zijn herrezen uit hun as, maar anderen hebben zich gehersenspoeld en geestelijk verkracht gevoeld, blijkt uit de klachten. Jan Lindeboom hoort nu bij de bewonderaars, want dankzij Corsmit is hij genezen van zijn borderline (een ziekte waardoor je je niet op een gezonde manier aan anderen kunt binden).

Alleen al door zijn geloof in genezing wijkt Corsmit af van de state of the art in de psychiatrie. Hedendaagse psychiaters beschouwen het genezen van patiënten met de diagnose schizofrenie of borderline als een ideaal uit de jaren zeventig. Medicatie, psycho-educatie en rehabilitatie staan nu centraal: we kunnen symptomen medicinaal onderdrukken, we leren je met je ziekte te leven, en we bieden beschermde-woonhuizen en arbeid onder begeleiding.

Pièce de résistance in Corsmits behandeling van 'ongeneeslijk' zieken is de luistertherapie. Die houdt in dat de patiënt een paar keer per week twee uur luistert naar een bandje met de vervormde stem van zijn moeder, om de geluiden die hij in de baarmoeder heeft gehoord opnieuw te ervaren, en dan een nieuwe start te kunnen maken. 'Een infuus met basisveiligheid', in de woorden van Corsmit. Het nut van luistertherapie is nooit wetenschappelijk aangetoond, zegt de inspectie.

Warm hart

Ward Corsmit heeft geen zelfmoord gepleegd. “Mijn hart blijft warm”, zegt hij in zijn privévertrek in het Wassenaarse landhuis De Boeckhorst. “Ik heb een fase gehad waarin ik dacht dat ik mijn hoofd moest buigen als de maatschappelijke toets van inspectie en tuchtcollege mijn werk afkeurde. Maar langzamerhand wordt me duidelijk dat mijn zaak gaat om iets groters: alle intimiteit moet uit de psychiatrie.” Intimiteit betekent voor Corsmit je verborgen ellende en kwetsuren aan elkaar durven tonen. Seks is op De Boeckhorst verboden.

Welke van de vele klachten over hem zijn terecht? “Ik ben geïsoleerd geraakt”, zegt Corsmit. Hij heeft te weinig feedback gekregen en gevraagd, blikt hij terug. Over de aanklachten zegt hij, moeizaam, dat hij, “veel te naïef en te goed van vertrouwen”, de duistere kant van sommige patiënten niet heeft gezien.

Herman van Aalderen, oud-hoogleraar huisartsengeneeskunde, kent de stukken van de zaak Corsmit en vindt de strafmaatregel overdreven. “Voor de grofste nalatigheden komen artsen bij het Medisch tuchtcollege weg met een waarschuwing. Vergeleken daarmee is Corsmits ontzegging uit het beroep buitenproportioneel.” Corsmit had wel een waarschuwing moeten krijgen, vindt Van Aalderen. “Hij ging te veel op de solistische toer met zijn eigen kliniekje.” Corsmits grootste verdienste is volgens Van Aalderen dat hij werkte met hopeloze gevallen waar anderen niets mee konden.

Via deze zaak probeert het tuchtcollege af te rekenen met jaren-zeventignieuwlichterij in de psychiatrie, vindt Van Aalderen. Hij vertelt hoe hij twintig jaar geleden met zijn vrouw in relatietherapie ging in een boerderijtje in Eemnes. “Met z'n allen in een kring en dan werden de emoties losgewoeld. Dat was toen heel gewoon en het had ook wel zijn zin. Corsmit is tussen alle zakelijke, cerebrale jaren-negentig psychiaters een van de laatsten die nog zo diep in het gevoelsleven duikt. Er gaat beslist iets verloren nu het Medisch tuchtcollege die werkwijze afstraft.”

Wat gaat er verloren? “Het spirituele”, zegt Corsmit. Diepgang en intimiteit zijn volgens hem onmogelijk zonder geloof. “Om je te laten kennen moet je vertrouwen op iets wat groter is dan wij. Dan denk ik aan die dichtregel van Marsman geloof onafgebroken daar moet water zijn. Ik vind het bloedlink als een therapeut diep verborgen emoties van zijn patiënt naar boven haalt, terwijl hij, de therapeut, niet gelooft in het bestaan van een goddelijke kern.”

Plotseling totaal begeesterd vertelt hij over de verworvenheden van de jaren zeventig. “Dat hoopvolle optimisme!” Hij praat over psychosynthese, de theorie dat in elk mens een goddelijke ziel huist die popelt om zich te openbaren. Over de inspirerende psychologische theorieën van Maslow, die vond dat we ons moesten spiegelen aan de groten onder ons. Over de aandacht voor het lichamelijke: “een mens is meer dan zijn rationalisaties”. En over de geestelijke groei waartoe ziekte uitnodigt. “Iedere keer dat ik tegen de lamp loop neem ik een kiertje licht mee”, staat op een poster in een van de therapiekamers.

“Een psychiater mag niet gelijktijdig de rol van leermeester of goeroe vervullen”, schreef Lucieer in Medisch Contact. Ook dat valt onder het kopje grensoverschrijding. Is een goede goeroe geen zegen voor psychisch zieken die als alternatief voor hun ziekte alleen leegte zien gapen? “Goede goeroes bestaan niet”, antwoordt Lucieer. “Goeroes maken mensen tot willoos instrument van hun eigen boodschap. Het wezenlijke van ons mens-zijn is bewust en in vrijheid individuele keuzes maken. Mensen kunnen bij het gemeenschapsgevoel en de riten van religie steun ervaren, maar een alternatief is te vluchten in werk. Ik laat graag de keuze aan de patiënt.”