SCHOOLTYPE VAN MEISJE LIGT GEMIDDELD HOGER DAN VAN EEN JONGEN

De schoolloopbaan van meisjes van twaalf tot en met zeventien jaar verloopt in Nederland de laatste jaren voorspoediger dan die van even oude jongens. Groot is de voorsprong niet, maar hij is onmiskenbaar. Meisjes hebben een iets grotere kans om op de schaal VBO, Mavo, Havo en VWO een 'half schooltype' hoger uit te komen.

Hiermee is de ruime onderwijsachterstand die meisjes in de jaren vijftig nog hadden, omgeslagen in een voordeel. Dit schrijft de Utrechtse onderzoeker P. Hustinx in een artikel in de Sociologische Gids (1996/4, juli/augustus). Al langer bleek uit cohortonderzoeken dat het goed ging met de meisjes op de middelbare school, maar aan de kleine voorsprong die soms werd gevonden werd weinig aandacht geschonken. Uit CBS-studies uit 1988 en 1991 bleek dat het voordeel vooral in de lagere regionen van het onderwijsbestel was geconcentreerd: meisjes gaan naar de Mavo, jongens naar het VBO. Dit zou vooral zijn beïnvloed door de sociale afkomst van de leerlingen op die schooltypen. Uit Hustinx' onderzoek blijkt dat het (kleine) voordeel over de hele leeftijdsgroep van twaalf tot zeventien, voor alle sociale milieus en op alle schooltypen bestaat. Hij analyseerde het geslachtsverschil in schoolcarrières op basis van een representatieve enquête onder 1.500 12- tot 17-jarige jongeren die in 1991 plaatsvond (als onderdeel van de brede Wendingen In de Levensloop (WIL)-steekproef). Hij keek naar het effect van sociaal milieu en geslacht op het schooladvies van de basisschool van de ondervraagde jongeren, op de werkelijke eerste schoolkeuze direct na de lagere school en op het huidige schooltype. Op alle schooltypen bleken in alle van deze 'breekpunten' van de schoolcarrière meisjes in het voordeel. Hustinx heeft niet gekeken naar de vakkenpakken of naar de cijfers.

Als mogelijke verklaring voor de hogere schoolkeuze van meisjes in de pubertijd verwijst Hustinx naar eerder onderzoek van de sociologe De Waal, die de belevingswereld van deze categorie meisjes onderzocht. Daaruit bleek dat juist omdat meisjes hun eigen capaciteiten lager schatten dan jongens ze veel ijveriger zijn. Oudere meisjes hebben minder voordeel. Hustinx' wijst op een 'grote inhaalmanoeuvre' van jongens boven de achttien in de hogere regionen van het onderwijs die bleek uit eerder onderzoek.

Overigens schrijft Hustinx dat ook voor de gestage opmars van de meisjes in het onderwijs sinds begin jaren zestig nog altijd geen bevredigende verklaring bestaat. Het inhaaleffect begon al voor de tweede feministische golf en ook de invoering van de mammoetwet of de afschaffing van sekse-specifieke schooltypen als de MMS heeft geen invloed gehad op het verloop van die inhaalmanoevre, die nu dus zelfs tot een voorsprong heeft geleid.