Niet te benijden

Voor afgunst is een woord, maar voor het gevoel dat het bij de benijde opwekt niet. Van andermans woede wordt iemand bang, of kwaad. Maar wat wordt je van iemands jaloezie? Niet goed.

Ik kom erop, omdat ik even uiterst benijdenswaardig was. Niet dat mijn gezelschap mij iets misgunde. We zaten in hetzelfde busje, dat door steeds heuveliger landschap gechauffeerd werd, langs bergmeren bochtig omhoog over nog engere wegen tot een poort die elektrisch openzwenkte en vandaar over een oprijlaan die zich door een geheel geprivatiseerd landgoed wrong naar de gastverblijven waar wij door de gastvrouwe werden opgewacht om onze kamers te betrekken, reeds voorzien van naambordje, antiek ingericht, met uitzicht op weids aangelegde wandelparken en op het grauwe meer dat stil en impressionistisch lag te druilen onder grijze luchten met Munchse slierten nevel over het water, waar de bootjes al klaarlagen voor ons spelevaren, terwijl in de hal verweerde knechts uit het naburig bergdorp de koffers overnamen en witgekielde oosterse bedienden de welkomstkoffie inschonken. Mijn reisgenoten werden er wat giechelig van en er ontstond een bewonderend en afgunstig gemompel in vier, vijf talen. Maar voor die stemming is het Nederlands toch het meest welsprekend: Nou, nou, nou, wie het breed heeft; en: Dat zal me een lieve hap kosten.

Het landgoed was na tweeduizend jaar van pronk en praal, brandschatting en verovering, van de Sforza's overgegaan naar de Sfondrata's en, toen geweld eindelijk voor geld moest wijken, opgekocht door de prinses Von Thurn und Taxis die ook maar een meisje Walker was, maar dan eentje van de whisky-miljarden, die het, kinderloos, had nagelaten aan de Rockefellers, al even geweldloos in de olie, en zij hadden het tenslotte opengesteld voor Kunst en Wetenschap. Daar stonden wij dan.

Heel even was ik jaloers op mijzelf.

En, viel het tegen? Natuurlijk.

Het weer klaarde op, de zon verhelderde het landschap tot in de kleinste glooiingen en tot aan de verste villa's. Maar wij moesten van negen tot vijf, in de stijlkamers en onder de adellijke portretten, binnen zitten.

Dat moest van het schema. En zo bespraken wij de vergane en de gaande gruwelen van dit tijdsgewricht. Geweld en trauma, leed en rouw, in psychoanalytisch en antropologisch perspectief.

Daarna mochten wij ons even vertreden in het park. Vervolgens werden wij ontboden voor de aperitieven met lichte conversatie en klokke acht gesommeerd aan het diner in jasjah-dasjah. Nog steeds gold de strakke huistucht die de prinses ooit aan haar mindere gasten had opgelegd.

Afgunstige ensen stellen zich degeen die zij benijden steevast voor in de meest jaloersmakende omstandigheden: Nu zwiert zij met hem over de dansvloer, denkt de jaloerse minnaar, hij omklemt haar leest en laat heur haren langs zijn lippen spelen. Een kreet van hartzeer welt in de afgunstige op. Nog verder wrikt hij het mes in zijn eigen, gewonde borst: glimlachend kijk zij naar haar nieuwe geliefde op, 'vannacht nog', fluistert zij juist hoorbaar boven de klanken van het zigeunerorkest. En de eenzame fantast kermt, neen, neen, dat niet!

Maar waarom beeldt hij zich dat in? Waarom fantaseert hij niet dat zijn minnares na een door insekten en straatlawaai bedorven nacht nu bij het ontbijt ruziet over de rekening met zijn rivaal op wie zij ondertussen volstrekt is afgeknapt. Dat is toch veel waarschijnlijker. Maar zo werkt de afgunst niet. De nijd wekt zijn eigen pijn.

In mijn herinnering verscheen de rijzige gestalte van Hubert Plaque, met die voor immer tekort gedane trek om de mond. In het verenigingsblad had hij zich bitter beklaagd dat de heren professoren het blijkbaar niet nodig vonden om op de toogdag van zijn geleerd genootschap te verschijnen. Zij waren zeker weer eens op reis, of anders waren zij vast voor veel geld aan het schrijven voor de krant, schreef hij wrang. Of ze wilden het congresgeld niet betalen.

Waarom had hij zich niet realistisch voorgesteld dat zij in een armetierig klaslokaal zaten te kiften over een subsidie, of dat zij zich tot middernacht kromden over stapels kriebelige tentamens? Maar dan was de bitterzoete afgunst hem vergaan en had mededogen of zelfs bewondering hem overweldigd.

Meestal blijft de afgunst achterbaks, met achterklap in onderonsjes. Zelden zie je de nijd in reincultuur, in druk en in het openbaar. Bij terugkeer kwam het universiteitsorgaan mij onder ogen. Die krant heeft geen abonnees. Het blad gaat naar de rekjes. Daar ligt het tot de bezorger de oude stapel vervangt door die van de nieuwe week. Toch wordt ieder nummer vasthoudend volgeschreven door de geheel onafhankelijke redactie. Geheel onafhankelijk wordt iedere week een artikel gewijd aan de Voorzitter of de Rector van de universiteit, hun plannen, hun meningen, hun hoeden, hun lievelingspoëzie. De rest van de kopij is in eigentijdse hoon gesteld en striemt en geselt al diegenen, dat kun je tenminste vermoeden, die murw gemaakt moeten worden voor de volgende bezuiniging. Kruiperig en gluiperig. Daar is niet eens een dienstbevel voor nodig. Een onafhankelijke lakei weet uit zichzelf wat hem te doen staat.

Nu was mijn collega Johan Goudsblom het mikpunt van dat anonieme kreulen. Hij deed al dertig jaar hetzelfde. En nog erger, hij was grijs. Dat had een onderzoekscommissie vastgesteld. Er moesten maar eens jonge mensen bijkomen.

Dat zou Goudsblom ook wel willen. Wie niet. Maar sinds tientallen jaren wordt er op zijn staf bezuinigd en zijn knappe promovendi moeten lang wachten op emplooi of vertrekken naar het buitenland. En Goudsblom, na zoveel jaren, zet in zijn vak een adembenemende vernieuwing door; hij tracht evolutie en mensheidsgeschiedenis in één groot verband te brengen. Zo iemand stelt je voor de keus: je kunt hem alleen maar benijden, of je moet hem bewonderen.