MILIEUVERVUILING GEMETEN MET BEHULP VAN ZEEARENDEN

De mate waarin het milieu vervuild raakt met zware metalen kan goed worden gevolgd met behulp van zeearenden. Dat blijkt uit onderzoek op het Instituut voor Experimentele Fysica van de universiteit van Hamburg. Daar zijn de concentraties zware metalen in de veren van de Europese zeearend gemeten met behulp van de techniek van de Proton induced X-ray Emission (PIXE).

Een veer wordt hierbij bestraald met een bundel protonen (waterstofkernen), waardoor de metaalatomen röntgenstraling uitzenden die de aard en concentratie van de betreffende atomen aan het licht brengt.

Zware metalen kunnen zich afzetten op de veren die tijdens de jaarlijkse rui worden afgeworpen en zijn dan een maat voor de concentratie waarin zij voorkomen in de lucht in het gebied waar de vogel leeft. De metalen kunnen ook via het voedsel (vis, kleine zoogdieren en andere vogels) in het dier terechtkomen, om uiteindelijk te worden afgezet in het materiaal waaruit de schacht van de vogelveer bestaat: hoornstof. In dit geval zijn de gemeten concentraties een maat voor de belasting door zware metalen van de voedselketen op aarde.

Op grond van verschillende criteria kunnen beide wegen van herkomst goed van elkaar worden onderscheiden. Zo wijst een gelijkmatige concentratie langs de schacht van de veer op vooral opname via de voedselketen, terwijl een concentratie die toeneemt van de basis naar de top op een afzetting via de aerosolen in de lucht wijst. In het laatste nummer van Physik in unserer Zeit (1996, nr. 4) worden enkele resultaten vermeld van het onderzoek aan veren van zeearenden in de aan de Oostzee gelegen deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren, waarbij zowel regionale verschillen als veranderingen in de tijd werden vastgesteld.

In de eerste plaats bleek dat het oostelijke deel van deze deelstaat relatief weinig is vervuild met kwik, maar dat in het westelijke deel zeer hoge concentraties kunnen optreden: vooral langs het Elbe-dal en in de omgeving van Schwerin. Deze hoge waarden wijzen op de relatief hoge concentraties kwik in de vissen in de rivieren in dit gebied. De wateren worden hier vooral vervuild door kwikverbindingen die aan landbouwzaden werden toegevoegd om schimmelinfecties te bestrijden.

Uit veren van de zeearend die afkomstig waren van musea konden de Hamburger onderzoekers afleiden dat de 'natuurlijke' kwikbelasting ongeveer honderd jaar geleden 6 ppm (delen per miljoen) bedroeg. Deze concentratie steeg in de periode 1950 tot 1990 (toen het gebied onder DDR-bewind stond) tot ongeveer 18 ppm en is sindsdien gedaald naar 11 ppm. Deze afname is het gevolg van het verbod op het gebruik van kwikhoudende fungiciden dat in 1991 van kracht werd. Daarmee is het kwik echter nog niet uit het milieu verdwenen: het hoopt zich op in rivierbodems en sedimenten.

Lood blijkt zich vooral via de aerosolen in de lucht op de veren van de zeearend af te zetten. Ook voor dit metaal vonden de onderzoekers sedert 1991 een geleidelijke afname in de veren en dus in de lucht. Deze afname is het resultaat van de sterke teruggang van het gebruik van loodhoudende benzines. Hoewel het gebruik van deze benzines met een factor twee tot drie is gedaald, is de concentratie lood in de vogelveren met slechts 60 procent afgenomen. Dit komt doordat sinds de Duitse hereniging het autoverkeer in de vroegere Oostduitse deelstaten sterk is toegenomen.