Met vader naar de crèche moet kunnen

Werkende vaders nemen tegenwoordig met plezier een deel van de zorg voor hun kinderen op zich. Immers, mooie verhalen over het eerste tandje en het eerste woordje zijn leuk om te horen, maar vaders-van-nu willen het zélf meemaken.

En wie zou hun dat misgunnen? Toch zeker niet de Commissie Gelijke Behandeling? Jawel. De commissie gaf deze zomer geen enkele steun aan een vader die dagelijks samen met zijn kind naar het werk wilde reizen, opdat het kind gebruik kon maken van opvang bij de werkgever.

De jonge vader, werknemer van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Milieu (

), wilde voor zijn eerstgeborene een kinderopvangplaats regelen bij zijn werkgever. Dat bleek niet mogelijk; de crèche staat alleen open voor kinderen van vrouwelijke werknemers. Toen de man in juni naar de Commissie Gelijke Behandeling stapte, kreeg hij nul op het rekest.

De commissie redeneerde: zolang vrouwen nog een achterstand hebben op de arbeidsmarkt en zolang kinderopvangplaatsen schaars zijn, mogen werkgevers vrouwen voorrang geven. Conclusie: de moeder van het betrokken kind moet de opvangplaats bij háár werkgever aanvragen. Daarmee legt de commissie de verantwoordelijkheid nadrukkelijk bij de vrouw. Immers, als haar werkgever inderdaad kinderopvang biedt, is het logischerwijs haar taak om het kind te brengen en te halen. Dat betekent nogal wat voor haar arbeidspatroon. Bijvoorbeeld dat ze haar informele netwerkcontacten na kantoortijd, die zo interessant zijn voor haar carrière, wel kan vergeten. Ze moet op tijd weg, want de crèche gaat dicht.

Met andere woorden: een werkende vader die zijn kind elke dag naar het dagverblijf brengt en het 's avonds weer ophaalt, maakt niet alleen meer van het kinderleven mee dan andere vaders, hij neemt zijn partner ook een heleboel zorg uit handen en draagt daardoor constructief bij aan haar carrière.

Maar voor de Commissie Gelijke Behandeling is dat geen overweging. De commissie vindt het reëler om vast te stellen dat “de vraag naar kinderopvang vooral afkomstig is van vrouwen die niet willen stoppen met werken na de geboorte van hun kinderen”. En dus hoeft de vraag naar kinderopvang die afkomstig is van een man niet gehonoreerd te worden.

Zo komen we natuurlijk nooit van het verschijnsel rolbevestiging af. Een vader die voor zijn kind wil zorgen, maar ook wil blijven werken, wordt over het hoofd gezien door de Commissie Gelijke Behandeling, terwijl hij vermoedelijk representatief is voor een hele schare van werkende vaders die momenteel bezig zijn om hun aandeel in de zorg voor kinderen en huishouden op te krikken.

Zulke vaders kunnen toch alleen maar uit hun oude rol kruipen, als er maatschappelijke kaders zijn waarbinnen ze hun nieuwe rol op zich kunnen nemen? Datzelfde gold destijds ook voor vrouwen: zij hadden bijvoorbeeld kinderopvangregelingen nodig om in hun nieuwe rol van werkende vrouwen te gedijen.

Maar in 1996 is positieve discriminatie van vrouwen, zoals kinderopvang ten behoeve van vrouwelijke werknemers, niet meer voldoende om tot een gelijke verdeling van zorgtaken te komen. Dat blijkt uit een advies van de Projectgroep Herverdeling Onbetaalde Arbeid aan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (

). De projectgroep kwam dit voorjaar tot de conclusie dat mannen, in plaats van vrouwen, doelgroep van het emancipatiebeleid moeten worden. “Gebleken is dat het toenemende aandeel van vrouwen in betaald werk, niet heeft geleid tot een meer gelijke verdeling van onbetaald werk tussen mannen en vrouwen”, meldde het nieuwsbulletin van het ministerie van

jongstleden mei. Het roer gaat om: “Subsidiegeld kan worden ingezet om mannen ertoe aan te zetten meer zorgtaken op zich te nemen.” De Commissie Gelijke Behandeling voert dus een achterhoedegevecht met haar pleidooi voor positieve discriminatie van vrouwen. Immers, de overheid wil zijn pijlen voortaan op mannen richten.

Maar die mannen zitten zelf ook niet stil. Zij willen dat de overheid haar aandeel levert in het scheppen van voorwaarden op basis waarvan iedereen, dus vrouwen én mannen, onbetaalde zorg kan verlenen. In het licht van deze tendens kan het verzoek van de jonge vader begrepen worden: wil de Commissie Gelijke Behandeling bepalen dat ook míjn kind recht heeft op een plaats in de bedrijfscrèche?

Helaas heeft de commissie niet in de gaten dat deze maatschappelijke ontwikkeling gaande is. Daarom wees zij het redelijke verzoek af. Daarmee bestendigt zij voorlopig de ouderwetse rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Het is dus maar goed dat de vader in hoger beroep gaat.