Lichaamstaal van Jan Posthuma

In eerste aanleg was volleybal bestemd voor wat oudere mannen voor wie basketbal te vermoeiend was. Zo had W.H. Morgan, een sportinstructeur van een YMCA die in 1896 deze sport introduceerde, het bedoeld. Dat tegenwoordig alleen nog jonge vingers in staat zijn een bal zo'n duizend keer per dag op hun topjes te laten dansen, kon de Amerikaan een eeuw geleden niet vermoeden.

Sommige vingers vragen er nu zelfs om getaped te worden. Die zijn dan meestal van een aanvaller die de bal met zijn sterkste hand vernietigend hard over het net moet slaan. De spelverdeler wil de bal liever voelen, om hem strelend door te kunnen spelen. Die houdt niet van tape. De vingers van de blokkeerder zijn ruw, gehard door de vele aanslagen op de kootjes en gewrichten. Maar dan nog wil hij liefst de bal voelen - zonder tape. Menigmaal schiet een vinger uit z'n kom, raakt hij gekneusd of gewond door kloofjes. Sommige vingers zijn in de jaren zelfs een beetje dikker geworden, zowat misvormd en bijna zo krom als de rug van een oude man die een leven zware lichamelijke arbeid heeft verricht. Vingers van een volleyballer mogen dan graag voelen, zo sensitief als die van een pianist zijn ze niet. Van koestering is nooit sprake. Volleyballende vingers kunnen namelijk wel tegen een stootje. Zij doen niet aan kunst, maar aan keiharde topsport.