Kolken, bootjes, avondlik water

DEZE RUBRIEK BEGINT aan een zeker indigestie te lijden. Brieven met reacties en brieven met nieuwe problemen stapelen zich op en een geordende verwerking raakt buiten bereik. Gedane beloftes zijn menselijkerwijs niet meer na te komen. Daarom, vroeger dan anders, alvast een brievenaflevering.

Op 15 mei ging het hier over draaikolken, over wat daaraan gevaarlijk is, of een zinkend schip zo'n kolk opwekt, enzovoort. Je hoort vaak dat een schip dat 'in de golven verdwijnt' de sloepen dreigt mee te zuigen. Moet er werkelijk zo hard geroeid worden met vrouwen-en-kinderen?

Heel veel reacties leverde de kwestie niet op. Een enkele oud-zeevarende gaf aarzelend toe dat hem van een zuigende werking van zinkende schepen niets bekend was. Anderzijds: je kon in de tuigage verward raken, er konden ketels ontploffen. Benen maken bleef de boodschap.

Hors concours arriveerde nog een brief van een theoreticus die er op wijst dat een zinkend schip onder het zinken veel lucht naar boven laat ontsnappen. Boven het wrak-in-spe vormt zich dus een lucht-water mengsel met een veel lagere dichtheid ('soortelijk gewicht') dan het pure zeewater. De wet van Archimedes voorspelt dat een bootje dat daarin terecht komt jammerlijk ten onder gaat. Even reddeloos als een paard in een poel aardolie. Van AW-zijde is een en ander nog niet experimenteel getoetst, maar vooruitlopend daarop wordt er hier alvast op gewezen dat deze lezer weinig oog heeft voor de dynamiek van het geheel. De ontsnappende lucht bereikt met behoorlijke snelheid het zee-oppervlak en de impuls-overdracht kan veel goed maken. Wie àl te statisch redeneert komt vroeg of laat tot de slotsom dat een ouderwetse WC-stortbak niet kan leeglopen.

Op 30 mei is een blikken speelgoedbootje met een intrigerende aandrijving opgevoerd. Het 'put-put-bootje', dat tegenwoordig vooral in ontwikkelingslanden in productie is, heeft in zijn ruim een U-vormige blikken pijp liggen waarvan de beide uiteinden als uitlaten buiten de scheepsromp steken. Boven de bocht van de U is een soort boiler gesoldeerd met een dunne koperen membraan. Voor de afvaart wordt de U met water gevuld en daarna onsteekt men de kaars die onder boiler brandt. Er ontstaat stoom die condenseert voor hij naar buiten is geblazen en dus weer water naar binen zuigt. Een cyclisch effect dat door asymmetrie tussen het blazen en zuigen tot voortstuwing leidt met een 'pop-pop' of 'put-put' waarvan de frequentie wordt bepaald door het dunne koperen membraan, het 'diafragma'.

Dat was niet voor niets geschreven. Een hele klas oude jongens is in de pen geklommen om herinneringen aan het eigen put-put-bootje op te halen. De eerste schrijvers wisten nog dat het scheepje in 1948 zowel in een Duits als in een Nederlands hobbyblad was besproken. Later berichtte een lezer uit Voerendaal dat al in 1934 op de kermis van Venlo een 'pop-pop-bootje' (Made in Japan) voor tien cent te koop was. Bilthoven meldde een bootje dat al in 1930 pruttelde op metablokjes en een Utrechtse lezer herinnert zich dat al in 1928 een pop-pop-bootje op en tenstoonstelling in Keulen was te zien. De prijs was toen nog 'onaantrekkelijk hoog'.

Van belang is dat de meeste lezers twijfelen aan de noodzaak van een boiler met membraan. Dat zal wel van invloed zijn op de pruttelfrequentie, denken ze, maar het is er waarschijnlijk in de eerste plaats voor het lawaai. Zij hadden altijd put-put-bootjes zonder boiler of diafragma. Ir. J. Mak in Oosterhout zond de hier gereproduceerde schets van twee bootjes die nog in zijn bezit zijn. Het bovenste, houten, exemplaar, met de gewonden spiraal wordt beschreven als een wild bootje dat in korte uitbarstingen vooruitschiet. De onderste (met drie uitlaten) pruttelt heel rustig met een frequentie van zo'n 20 tot 30 Hz. Niks aan de hand. De hoog theoretische beschouwingen in het American Journal of Physics over het belang van een diafragma komen zo wel in een vreemd licht te staan.

Over naar ander lawaai. De beschouwing van vorige week over het effect van een grondinversie op de hoorbaarheid van omgevingsgerucht heeft al twee reacties opgeleverd. Lardeerde Minnaert - als de herinnering niet bedriegt - zijn waarneming met een citaat van Nietzsche over het geklater van fonteinen dat in de loop van de avond luider wordt, een lezer in Leiden vond een vers van Van Ostaijen dat daar niet voor onderdoet. 'Avondgeluiden' heeft de strofe: gij hoort plots het zijpelen van avondlik water. Minnaert had het zeker gebruikt.

De passage die een andere lezer opstuurde uit 'Als de grimmige noordooster waait' van Geertsma-Allema (wie kent haar niet) is wat aan de lange kant. Ze beschrijft hoe op de ochtend van eerste kerstdag - sneeuw, vorst, helder lucht, maar waarschijnlijk geen wind - opeens klokgelui doordringt van de verst verwijderde dorpjes. Gewoonlijk alleen te horen als de wind uit de goede hoek komt en nu: Barnwerd, Agum, Schallum, Enum. Moeiteloos. Grondinversie!

    • Karel Knip