Het staatshoofd

NOG ENKELE DAGEN en Den Haag staat weer in het teken van Prinsjesdag. De dag dat de koningin in de Ridderzaal de Troonrede voorleest. Enkele jaren geleden, ten tijde van het twaalfeneenhalfjarig ambtsjubileum van koningin Beatrix, openbaarde toenmalig minister-president Lubbers dat het voor een deel ook ècht de Troonrede van de koningin is.

Hij gaf toen aan dat de concept-rede in de weken voor de Derde Dinsdag uitvoerig tussen hem en het staatshoofd wordt besproken. De ministerraad stelde weliswaar de definitieve tekst vast, maar dat nam volgens de premier niet weg dat de Troonrede het resultaat was van “een samenspel”. Hij zag hierin het bewijs dat de ministeriële verantwoordelijkheid “creatief” kan werken.

De betrokkenheid van de koningin bij de Troonrede valt binnen de grenzen zoals de Brit Bagehot die de vorige eeuw heeft geformuleerd en die in Nederland nog steeds het leidend beginsel vormen als het gaat om de rechten van het staatshoofd. Deze 'ongeschreven' regels luiden dat de koningin het recht heeft te worden ingelicht, het recht heeft aan te dringen en het recht heeft om te waarschuwen. Het zijn rechten waar koningin Beatrix “zeer actief” gebruik van maakt. Ook dit 'onthulde' Lubbers vier jaar geleden.

WAT DE KONINGIN mag en niet mag is de laatste weken weer onderwerp van discussie. De directe aanleiding is het hardnekkige verhaal dat de koningin er bij minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) op heeft aangedrongen om de Nederlandse ambassadeur in Zuid-Afrika, jhr. E. Roëll, terug te roepen. De koningin, die eind deze maand naar Zuid-Afrika vertrekt voor een staatsbezoek, zou moeite hebben met de persoonlijke levenswandel van de ambassadeur, aldus de geluiden op het departement van Buitenlandse Zaken.

In antwoord op Kamervragen over de zaak heeft minister Van Mierlo inmiddels geschreven dat privé-omstandigheden niets te maken hebben gehad met de overplaatsing van de ambassadeur. De vraag of de koningin zich had ingelaten met de overplaatsing, beantwoordde hij niet met een verwijzing naar de ministeriële verantwoordelijkheid. Dit antwoord van Van Mierlo was te voorzien. Er bestaat nu eenmaal zoiets als het geheim van Huis ten Bosch. Maar zijn antwoord heeft niet kunnen voorkomen dat er vragen over de koninklijke invloed op het regeringsbeleid gesteld blijven worden. Het probleem bij de nu ontstane discussie is dat een moreel oordeel over de kwestie zelf en het recht van de koningin als zodanig om invloed uit te oefenen nogal eens door elkaar worden gehaald.

MET EEN VERWIJZING naar de regels van Bagehot heeft de koningin het volste recht haar mening tegenover een minister kenbaar te maken. Het feit dat deze mening wellicht afwijkt van de gangbare opvattingen in het land doet hierbij geheel niet ter zake. Bovendien, wat is gangbaar. De staatsrechtgeleerde Donner heeft er enkele jaren geleden al eens op gewezen dat, door de koningin zo als een symbool van Nederland te beschouwen, de snoeren van het koningschap wel erg strak worden aangehaald. Onschendbaarheid wordt op die manier al gauw onberispelijkheid.

De constitutionele monarchie kent een schemergebied waar sprake is van een niet exact gedefinieerde ruimte voor het staatshoofd. Zoals al in 1980 bij de discussies over de grondwetsherziening door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Wiegel, werd opgemerkt, kan onmogelijk exact worden aangegeven hoe de invloed tussen koning en ministers is verdeeld. Een verdeling verdraagt zich immers niet met de onschendbaarheid van het staatshoofd, waardoor ministers altijd volledig verantwoordelijk zijn. Nog steeds gelden de woorden die premier Gerbrandy in de oorlog sprak toen er kritische opmerkingen waren gemaakt over de invloed van koningin Wilhelmina op het regeringsbeleid: “De koningin moet in Nederland zo blank als sneeuw terugkomen en dan mag ik er best uitzien als een Moriaan.”

HET GAAT TELKENS weer om de gegeven ruimte. Premier Lubbers zei bij het twaalfeneenhalfjarig ambtsjubileum van koningin Beatrix dat een “royale en geen angsthazige interpretatie van de ministeriële verantwoordelijkheid” de moeite waard was gebleken. Daarmee gaf hij aan hoe de verhoudingen waren komen te liggen. Als het staatshoofd de ruimte neemt, is deze in eerste instantie ook gegeven. Voor dat laatste ligt de verantwoordelijkheid geheel en al bij de ministers.