HELAAS IS SCHAKEN SPORT GEWORDEN

Grootmeester Genna Sosonko, opgegroeid in Sint Petersburg, is de komende zeventien dagen playing captain van het Nederlandse schaakteam bij de olympiade. Die begint morgen in Jerevan, de hoofdstad van Armenië.

Genna Sosonko schaakt minder dan vroeger. Drie of vier toernooien, dertig toernooipartijen per jaar. “Als je geen topgrootmeester van twintig jaar bent, of een briljant meisje als Judith Polgar, is het moeilijk uitnodigingen te krijgen. In schaken moet je, net als in de rest van de maatschappij, jong zijn. Ik ben dit jaar gastgrootmeester bij het toernooi in Tilburg. Karpov mag meedoen als de opa, de overige deelnemers zijn jongelui van twintig.

“Eigenlijk is het verbazingwekkend dat ik nog schaak. Voor een jonge speler als Loek van Wely bestaat het leven uit diagonalen, zwakke zwarte velden, paarden en lopers. Naarmate je ouder wordt, begrijp je dat het leven ook andere ingrediënten heeft. Collega's van mijn generatie, zoals Hort, Gheorghiu en Kavalek, zijn in wezen gestopt.”

Sosonko is op 18 mei 1943 geboren in Troetsk, een stadje in Siberië. Hij groeide op in Leningrad, het huidige Sint Petersburg. In 1972, in dezelfde maand als de schrijver Joseph Brodsky, emigreerde hij via Israel naar Nederland. Zijn moeder en zuster bleven achter. In Rusland speelde hij betrekkelijk weinig en maakte hij naam als trainer van Kortsjnoi en Tal.

In het Westen begon hij zelf te spelen en werd hij snel een topgrootmeester. Hij was Nederlands kampioen in 1973 en 1979 en won het Hoogovens-toernooi van 1978 en 1981. Hij hoorde hij bij de twintig beste grootmeesters ter wereld. Zijn spelinzicht werd geroemd, zijn kennis van het Catalaans is ongeëvenaard. En hij is nog altijd bijzonder moeilijk te verslaan. Vorig jaar won hij het Rubinstein Memorial in Polen.

Hij debuteerde in 1974 voor het Nederlandse team, dat vijfde werd in Nice. Bij de laatste olympiade, in 1994 in Moskou, eindigde Nederland als vijfde. Sosonko is 53 jaar en de oudste speler van het Nederlandse team. De anderen zijn Jan Timman (44 jaar), Loek van Wely (23), John van der Wiel (37), Paul van der Sterren (40) en Friso Nijboer (31).

Nederland heeft de oudste ploeg van de 117 landen op de olympiade, weet Sosonko. “Het is een algemene tendens in de sport en bij schaken in het bijzonder. Met dertig jaar ben je tegenwoordig een veteraan. Stefan Edberg is dertig en stopt. Vroeger werd Wimbledon gewonnen door Australiërs van 38 jaar met van die petten op hun hoofd. Ook de gemiddelde leeftijd van topschakers is drastisch naar beneden gegaan. Lasker en Tarrasch waren schaakfilosofen in een tijd van kaalhoofdige denkers met grote sigaren. Botwinnik zei na de oorlog dat 35 de beste leeftijd was voor een schaker. Dat is, denk ik, inmiddels tussen de 20 en 25 jaar.

“Bij voetballen en tennis is het duidelijk waarom je slechter speelt als je ouder bent. Het lichaam raakt versleten en je krijg last van blessures. Maar schaken speel je met je hersens. Helaas is schaken grotendeels sport geworden. Van de drie ingrediënten - kunst, wetenschap en sport - prevaleert sport de laatste tijd meer en meer. Het speeltempo is hoger, er zijn geen afgebroken partijen meer, je speelt zeven uur achter elkaar. Het is harder. Het aantal toernooien dat een professional per jaar afwerkt, is toegenomen. Vroeger was zestig tot tachtig partijen per jaar het ideaal. Nu spelen de jongeren tachtig partijen in een half jaar.

“Helaas moet je er op mijn leeftijd rekening mee houden dat er meer slechte dagen komen. Een slechte nachtrust krijgt een grotere betekenis dan schaaktechnische aspecten. Toen mijn vriend Poloegajevski vijftig werd, vroeg hij mij: 'jij bent een ervaren trainer, vertel me, waarom kom ik tegenwoordig in elke partij in tijdnood? Vreselijk. Dat had ik vroeger nooit.' Ik probeerde hem uit te leggen dat naarmate je ouder wordt ... 'Ja', zei hij, 'maar waarom ik? Waarom ik?'

“Het is misschien mogelijk anders te spelen. Toch zoek ik nog steeds naar de beste zet. Ik wil mezelf niet sparen door genoegen te nemen met een goede zet. Maar als ik later merk dat ik de sterkste zet heb gemist, raak ik geïrriteerd tijdens de partij. Dan is de partij mislukt en vaak mislukt daardoor een heel toernooi. Dat ik zoveel van het spel begrijp, helpt maar gedeeltelijk. Helpt het een oncoloog als hij na tientallen jaren plotseling bij zichzelf de symptomen ontdekt?”

Sosonko was afgestudeerd in de Sovjet-Unie. Met zijn studie had hij in Nederland niet veel kunnen doen. “Geografie in de Sovjet-Unie ging over communisme, socialisme, de planmaatschappij. Misschien dat een verhaal uit een boek dat ik veertig jaar geleden voor het eerst las - De kinderen van kapitein Grant van Jules Verne - het verschil duidelijk kan maken. Een Franse geograaf en Engelse kolonel praten in Afrika met een Afrikaans jongetje van tien jaar. De kolonel vraagt het jongetje waar Kenia bij hoort. Bij Engeland, zegt het jongetje. De Fransman vraagt waar de Sahara bij hoort. Het jongetje weet het niet en zegt: die zal bij Engeland horen.

“Wij leerden dat de Sovjet-Unie de beste maatschappij was, want in de Sovjet-Unie verliep alles volgens plan. En de gehele wereld zou vroeg of laat communistisch worden.

“Ik koos na het eerste jaar voor de richting economische geografie. Daarna kwam de verdeling tussen economische geografie van socialistische landen en van kapitalistische landen. Het laatste was het makkelijkst, echt voor domme studenten. Je had heel veel tijd voor schaken, je hoefde niets te weten. Je kon blijven herhalen: alles is slecht en het wordt er alleen maar slechter. Mijn specialiteit was de plaats van Lotharingen en Frankrijk in de Europese gemeenschap. Zo stond het in 1975 ook in een Engelse encyclopedie: Sosonko is afgestudeerd in de economische geografie van kapitalistische landen en probeert zijn kennis in praktijk te brengen in verschillende toernooien.”

Hij benadrukt dat zijn keuze beperkt was. De Sovjet-Unie was een gesloten maatschappij. Het had voor Russen geen zin om te dromen over mooie auto's of reizen naar Engeland.

Zijn successen als schaker dankte Sosonko niet alleen aan zijn opleiding in de Sovjet-Russische schaakschool. “Schaken, en dat geldt voor alle leden van het Nederlands team dat naar Jerevan gaat, begon als hobby en is pas later ons beroep geworden. Het begon als liefde. Later krijg je de vraag: hou je van je vrouw? Het antwoord: hoezo, het is toch mijn vrouw.

“Naast talent en ijver is er een derde component. Dat geldt voor sport of voor kunst, voor schaken of voor viool. Namelijk ambitie, eerzucht. Twintig jaar geleden gebruikte ik het woord talent in een gesprek met Donner, laat op de Kring. Talent, zei Donner, wat is talent? Dat is de wil om te winnen. Talent is een wens, een hartstochtelijke wens.

“Toen ik in Nederland kwam, wilde ik laten zien wat ik kon. Het woord overleven is te sterk, maar ik moest mijn vrienden in de Sovjet-Unie laten zien - mijn naam was daar taboe - dat ik bestond. Tineke Bakker was destijds als secretaris-generaal van de wereldschaakbond in Moskou op bezoek bij Pavlov, de minister van Sport van de hele Sovjet-Unie. Die man schreeuwde tegen haar: waarom speelt Sosonko een match tegen Euwe? U kunt toch iemand anders vinden! Dat gaf mij een kick, dat was een oppepper.”

De Amerikaan Bobby Fischer is de laatste wereldkampioen (1972-'75) die niet uit de Sovjet-Unie kwam. Daarvoor was Max Euwe (1935-'37) de laatste. Het einde van de heerschappij van de Russische school is nog niet in zicht. Op dit moment zijn de Russen Kasparov en Karpov beiden wereldkampioen. Sosonko oordeelde zes jaar geleden al dat Karpov over zijn hoogtepunt heen was. Hij is nu nog strenger over Kasparov.

“Karpov speelt niet zo goed als in zijn beste jaren, toen hij duidelijk superieur was. Maar Kasparov, nu 33 jaar oud, is naar mijn mening ook zeer achteruit gegaan. Jaren geleden had hij het in gesprekken met mij al over de tijd dat hij nog jong was. Hij is emotioneel gevoeliger, nerveuzer. Hij gaat toernooien mijden. Daarom speelt hij tegen het grote beest, de computer. Leugenachtig verkondigt hij dat alleen de beste twintig schakers nog van de computer kunnen winnen. Kasparov wil de publieke opinie ervan overtuigen dat hij tegen de computer speelt, omdat mensen geen interessante tegenstander meer zijn. Kasparov zegt ook dat hij de laatste menselijke wereldkampioen is. Dat is overigens niets nieuws. Zijn leermeester Botwinnik werd zes keer wereldkampioen en was daarna bezig een computerprogramma te ontwerpen dat wereldkampioen moest worden. Hij had hetzelfde motief: ik ben met schaken opgehouden, na mij niemand meer.

“Kasparov en Karpov zijn twee uitzonderlijke talenten, en zij weten zich zo makkelijk aan de top te handhaven omdat schaken bijzonder conservatief is georganiseerd. Probeer in het tennis maar eens drie maanden niets te spelen. Dan zak je op de ranglijst. In schaken spelen de toppers vrijwel alleen tegen elkaar. Je moet echt slecht presteren om te zakken op de Elo-ranglijst. Als je in het ene toernooi vijf Elo-punten verliest, win je die er in het volgende weer bij. Daarom spelen echt sterke spelers nooit in 'open toernooien', waarvoor iedereen zich mag inschrijven. Zelfs een positieve score kan een drastisch verlies van Elo-punten opleveren met alle dramatische gevolgen vandien.

“De meest waarschijnlijke opvolger van Kasparov en Karpov is Kramnik, misschien wel het laatste uitzonderlijke talent van de Sovjet-Russische schaakschool. Er zijn ongetwijfeld andere talenten, maar die worden niet meer ontdekt. Kramnik was nog onderdeel van het systeem dat er op gericht was zijn talent op te sporen. Alles werd in werking gesteld om het sporters mogelijk te maken het grote socialistische vaderland verdedigen en vertegenwoordigen. Ze moesten de hele wereld laten zien welk systeem het beste was. Die maatschappij bestaat niet meer, met alle positieve en in dit geval negatieve kanten daarvan.

“Rusland was een gesloten maatschappij, nu zijn de deuren naar het Westen opengegaan. Russen kunnen reizen, ze hebben er computers. De vader en moeder van een toekomstige Kramnik, een slim jongetje dat schaken en computers leuk vindt, zullen kiezen voor een opleiding met computers. Met computers kan zo'n jongetje later gegarandeerd een zeer goed salaris verdienen. In het schaken verdienen de topspelers goed. De nummer één een paar miljoen, de nummer twee ook. De spelers in de top-tien mischien een paar ton. Maar de rest speelt in open toernooien. In het open toernooi bij de Donner Memorial was bijvoorbeeld de eerste prijs 5.000 gulden. Dat bedrag moesten ze met zijn zevenen delen.

“Het schaken in zulke open toernooien doet me denken aan een episode uit de boeken van Solzjenitsyn over de Goelag-Archipel. Als Solzjenitsyn binnenkomt in het werkkamp in Siberië, ontmoet hij een oude gevangene met rimpels in het voorhoofd. Die geeft hem raad: zorg dat je niet bij het algemene werk wordt ingedeeld - het bomen zagen bij een temperatuur van min dertig. Dan zul je sterven. Je moet er alles voor doen om bijzonder werk te krijgen, in een keuken of in de bibliotheek. 95 procent van het kamp deed algemeen werk, vijf procent bijzonder werk. Hoeveel moet ik daarvoor over hebben, vroeg Solzjenitsyn. Alles, zei de oude man. Alles? Ja, alles.”