Getob met acht ton

Een lezer uit Den Haag (46 jaar) ontving uit meer dan één bron flink wat geld. “Alles wit hoor”, verduidelijkt hij. Zijn vermogen komt op circa 800 duizend gulden, los van de drie levensverzekeringen die over tien jaar naar schatting 100 duizend gulden opleveren.

Desondanks ligt de Hagenaar 's nacht weleens te tobben, want zijn werkgever is aan het bezuinigen en hij is de kostwinner van een gezin met drie kinderen die straks willen gaan studeren.

Af en toe rekent hij zijn beleggingsportefeuille door om na te gaan of de zaken goed lopen. De laatste berekening wijst op een rendement van 1 procent per jaar netto, dus na aftrek van inkomstenbelasting. “Ben ik een domme belegger met zo'n laag rendement?”, vraagt hij ongerust. Antwoord: Nee, hooguit een slechte rekenaar.

Wat blijkt. Hij neemt alleen rente en dividend mee en geen koerswinst op een aandelenbezit van 170 duizend gulden. Op 200 stuks Koninklijke Olie bedraagt de winst (op papier, ze zijn nog niet verkocht) 14.600 gulden, want hij kocht op 190 gulden en ze doen nu 263 gulden, met name door de hogere olieprijs en dollarkoers. Ruim 100 aandelen ABN Amro, gekocht op 61,10, gingen voor 94,80 van de hand en leverden 3.500 gulden winst op. En meneer noemt meer mooie transacties. Dividend in aandelen (stock dividend) zit evenmin in de een procent.

Rendement berekent een particulier zo: alle koerswinsten (op papier en gerealiseerd) en verliezen (op papier en gerealiseerd), dividenden ongeacht de vorm waarin, rente, (bank)kosten, inkomstenbelasting en vrijstellingen tellen mee bij de bepaling van het netto percentage.

Heeft zo'n regelmatige peiling veel zin? Niet echt. Cijfers hebben zin als je er iets mee doet; bijvoorbeeld een beleggingsbeleid sturen. Stel je moet per jaar minstens acht procent netto rendement op aandelen halen om over tien jaar een half miljoen gulden te bezitten, om te stoppen met werken of zo. Dan is het zinvol doel en werkelijkheid te vergelijken. Maar: die kille percentages zijn niet voldoende voor het beleid. Een deel van de winst bestaat slechts op papier en niet in harde guldens. Neem de Olie's: van 190 naar 263 gulden; 38 procent meer waard. Stijgt het aandeel verder of zou de briefschrijver misschien al de helft moeten verkopen? Wat doet hij met zijn 100 Nedlloyd die van 34 naar 43 gulden sprongen? Die afwegingen zijn moeilijker dan een partijtje rekenen in een spread sheet op de computer.

De tobbende lezer vraagt verder: 'Is het verstandig om vast een tweede huis/appartement/flat te kopen van mijn spaargeld (300 duizend gulden) om zo de inflatie bij te houden en als belegging?' Antwoord: Dat is om minstens vier redenen onverstandig.

Allereerst heeft meneer geen financieel plan waaarin zijn toekomstige doelen en risico's en bijbehorende maatregelen staan. Dus is deze koop lukraak, een impuls beslissing. Verder is er een tweede huis, een tweede zorg (onderhoud, inrichting, bewaking enzovoort) waar weinig woongenot tegenover staat. Een gezin met drie kinderen op de middelbare school is immers aan huis gebonden en sleept zich met lange tanden af en toe een weekendje naar hun vakantiehuis. Onderhoud kost geld. Als je het voor lange tijd verhuurt, loop je de kans vervelende huurders te treffen. En tenslotte: een woning is niet per se een belegging die automatisch meer waard wordt. Dat doen vooral woonhuizen in gebieden en plaatsen waar iedereen graag wil wonen.

Hoe moet het dan? Eerst zelf een financieel plan maken. Dat is nodig gezien de besparingen en beleggingen die zijn verdeeld over bijna 25 verschillende instrumenten, waarvan een deel in het buitenland. Een deel van de verbrokkeling komt door overdreven te fiscaliseren; het benutten van alle bekende vrijstellingen. Dan kan je op een kromme portefeuille uitkomen.

Hier staat centraal een dreigend onvrijwillig ontslag en mogelijk zelfs een langdurige ww-uitkering. Dit risico stelt eisen aan de beleggingen: die moeten ten dele liquide zijn of iets opleveren om een (sterke) terugval van de inkomsten te compenseren. Een tweede huis voldoet niet aan die eisen. De drie verzekeringen evenmin, voor de korte termijn. Het tweede risico betreft de pensioenopbouw. Die kan achterblijven door werkloosheid of verandering van baan. Dat hoeft geen ramp te zijn als daar voldoende eigen vermogen tegenover staat. Een minder urgent doel is de studiefinanciering van de kinderen.

Rond deze risico's en het doel kan de lezer, er van uitgaande dat de financiële gevolgen van zijn overlijden (verzekeringen en testament) ondervangen zijn, in overleg met adviseurs een financieel plan trekken en daarmee zijn beleggingen reorganiseren.