De Russische uraniummijnen in het Duitse Ertsgebergte; Wij werkten voor de vrede

In het Ertsgebergte werd in mei 1945 de Freie Republik Schwarzenberg uitgeroepen. Het vrijstaatje zou maar kort bestaan, anderhalve maand later trok het Russische leger binnen. Tot aan de Wende in 1989 was de streek een wingewest voor de Russische nucleaire industrie: de bodem was rijk aan uranium. Een grote schoonmaak moet het zwaar vervuilde en sterk radioactieve gebied nu redden.

De grauwe stadjes waren er eerder dan de hoge, afgeplatte heuvels eromheen. De Halden, zoals ze worden genoemd, zijn geen natuurlijke heuvels, maar gruisbergen die pas na het gebruik van een geigerteller hun ware aard onthullen. Ze bestaan geheel uit erts, waaruit na de Tweede Wereldoorlog meer dan veertig jaar lang uranium werd gewonnen. Aan de omvang van de afvalheuvels is te zien hoe hol de bodem hier moet zijn. Voor de winning van in totaal 220 duizend ton uranium werd zo'n 250 miljoen ton erts gedolven, die in de Halden om de stadjes Schwarzenberg, Oberschlema, Schneeberg en Aue werden opgeslagen.

Tot de Wende in 1989 was de Kreis Schwarzenberg in het Ertsgebergte voor de Russen het epicentrum, het kloppende hart van de atoomwedloop. Nu vormen de met schroot bezaaide fabrieksterreinen, opgebroken rails, verroeste kranen en verzakte schoorstenen een deprimerende getuigenis van het verleden.

Begin mei 1945 rukten de Amerikanen op uit het zuidwesten en de Russen uit het oosten. In de Kreis Schwarzenberg wachtten de bewoners in spanning af. Wie zouden het zijn? De Amerikanen? De Russen? Maar er kwam niemand.

Op 11 mei 1945 besloot een groepje Schwarzenberger anti-fascisten het heft in eigen hand te nemen. In het door plunderingen geteisterde gebied - vooral de restanten van het Duitse leger hadden hier huisgehouden - moest de orde worden hersteld. Als de Geallieerden het niet deden, dan moesten ze het zelf maar doen, vonden ze. “We vormden een Aktionsausschusz, we verzamelden ruim honderd gelijkgestemden en trokken naar het stadhuis”, vertelt de nu 92-jarige Schwarzenberger Paul Korb. Ze dwongen de nazistische burgemeester en zijn burgerwacht het veld te ruimen en benoemden Willy Irmisch tot voorzitter van het actie-comité en daarmee ook tot burgemeester van het stadje en president van de Freie Republik Schwarzenberg, een gebied ter grootte van Flevoland. “En ik”, lacht Korb, “werd benoemd tot minister van Justitie.”

Een onafhankelijk vrijstaatje in het bezette Duitsland, het was een curiosum waarover historici tot op de dag van vandaag hun hersens pijnigen. Hoe was het mogelijk dat de Geallieerden een dergelijke eigengereide actie duldden?

De regering van het vrije republiekje probeerde de orde te bewaren en de voedselvoorziening op gang te brengen. Er werd eigen noodgeld uitgegeven en ook postzegels, maar veel meer kon de regering niet doen. Op 25 juni 1945, anderhalve maand na het uitroepen van de vrije republiek, trok het Sovjet-leger alsnog binnen en nam de macht over. Dit was geheel volgens het in Jalta gesloten akkoord over de verdeling van Europa. Maar waarom lieten de Russen zo lang op zich wachten? Het grondgebied van Schwarzenberg bevatte rijke uraniumvoorraden en dat wisten de Sovjets. Pas als de archieven van het ministerie van Defensie in Moskou worden geopend, kan de vraag misschien worden beantwoord.

In zijn roman Schwarzenberg (1984) schreef Stefan Heym over het vrijstaatje: “Hoe anders zou de geschiedenis van de republiek zijn verlopen als de Amerikanen hadden geweten, wat zich in de bodem van Schwarzenberg bevond!” Volgens hem zou voor het republiekje een gouden, 'financieel gezonde' toekomst zijn weggelegd als het niet bij de Oostzone zou zijn ingelijfd.

Geologen

Eind juni 1945, enkele dagen na de bezetting door de Russen, arresteerde de

Niet bekend

Intussen was in de herfst van 1945 een groepje Sovjetgeologen in de stad neergestreken. Geassisteerd door Duitse wetenschappers van de mijnbouwacademie in Freiberg zaten ze maandenlang gebogen over documenten van de Sachsenerz-Bergwerke AG. Ze daalden af in de oude mijnschachten waar voorheen ijzererts, nikkel, bismut en wolfraam was gedolven. Nauwgezet inspecteerden ze het gangenstelsel en ze tekenden gedetailleerd op wat ze aantroffen.

De bewoners van de eeuwenoude mijnstadjes als Schneeberg, Johanngeorgenstadt, Schlema en Aue, allemaal op het grondgebied van de voormalige vrijstaat, werden enkele maanden later verrast door een stroom mensen die het gebied binnentrok. “Ze kwamen overal vandaan”, zo noteerde een ooggetuige, “mensen met angstige, verwarde gezichten, door de oorlog getekend, uitgehongerd. De jongste was nauwelijks zeventien jaar, de ouderen talrijk. (-) Iedere wagon die het station van Aue binnenliep, iedere auto bracht meer mensen. Lange rijen voor de arbeidsbureaus, lange rijen voor de woningbureaus en bakkerijen. De stad Aue barstte uit zijn voegen.”

Het waren arbeidskrachten, aangetrokken door het Aktiengesellschaft Wismut, het door de Sovjets opgerichte bedrijf dat verantwoordelijk was voor de uraniumwinning. Dwangarbeiders uit de Russische bezettingszone, 'ongure elementen' uit naburige stadjes, criminelen die hoopten hun straf te ontlopen, krijgsgevangenen - voor het merendeel nazi's uit de kampen - en vrijwilligers op zoek naar voedsel. Ze werden ondergebracht in oude fabriekshallen, danszalen of huizen waarvan de bewoners gedwongen waren geëvacueerd. Om het tekort aan mijnbouwmachines op te heffen was door de Sovjetautoriteiten een intensieve smokkel opgezet met de Westzone, vooral het Roergebied. Transportmiddelen werden geconfisqueerd en transportondernemers werden gedwongen voor de Wismut te rijden. De hele streek was een militair bedrijfsterrein dat onder het ministerie van Defensie in Moskou viel.

De arbeidsomstandigheden waren mensonterend. De mijnwerkers moesten met touwladders zo'n 150 meter afdalen in de schachten die vaak halfvol water stonden. Er waren voortdurend instortingen en ongelukken en vrijwel dagelijks vielen er doden. Bovengronds bleef dat zo goed als onbekend, want de Sovjet geheime dienst dwong de kompels te tekenen voor hun stilzwijgen. Ziektes als tuberculose en tyfus kwamen op grote schaal voor. Geen wonder dat er een groot aantal vluchtpogingen was. Maar de meeste mislukten, want met razzia's op stations, huiszoekingen en controles liet de geheime dienst niets aan het toeval over. De gedolven uranium ging op transport naar Moskou, waar Sovjet-wetenschappers in het geheim werkten aan de ontwikkeling van de atoombom. In augustus 1945 hadden de Verenigde Staten hun eerste atoombom laten vallen op Hiroshima. Stalin had dus haast. Toch zou hij nog tot 1949 moeten wachten voor zijn eerste atoombom tot ontploffing werd gebracht - met behulp van uranium uit het Ertsgebergte.

Uranium was de prijs die de Oostduitsers moesten betalen voor aan de Sovjetunie toegebrachte oorlogsschade. In het kader van de 'herstelbetalingen' zouden de Russen alleen al tot 1953 voor zo'n 16 miljard Amerikaanse dollars aan het land onttrekken; niet alleen uranium, maar ook machines, technische installaties en hele fabrieken werden naar de Sovjet-Unie overgebracht.

Patrouilles

De Wismut AG was gevestigd in het stadje Aue - een naam die iedereen in die jaren schrik aanjoeg. “Aue is een stuk van Rusland, en ik zal jullie net zo behandelen als ik het bij de arbeiders in Rusland gewend ben”, verklaarde een Russische vertegenwoordiger van het bedrijf, dat op militaire leest geschoeid was. Algemeen directeur was de Russische generaal-majoor Michaïl Malzev. Hij werd ondersteund door een apparaat van zo'n vijftienduizend bureaucraten en vijfduizend leden van de geheime dienst - allen van Russische afkomst.

De veiligheidsmaatregelen waren beangstigend. Het terrein van de Wismut, dat ongeveer het gehele gebied van de voormalige Vrije Republiek Schwarzenberg besloeg, werd door patrouilles permanent gecontroleerd. “Op alle personen, die geen gehoor geven aan een bevel, mag direct met scherp worden geschoten. Wanneer er een paar doden zijn gevallen, zal dat de anderen afschrikken,” verordonneerde een van de bazen.

Bij iedere schacht werden 25 militairen van de Sovjet geheime dienst gestationeerd. Om reguliere contacten met de burgerbevolking te vermijden werden ze veelvuldig afgelost en overgeplaatst. Rondom de schachten werden ijzeren hekken met prikkeldraad geplaatst, op iedere hoek een wachttoren met zwaar bewapende militairen. Door het hele gebied patrouilleerden pantsereenheden en de toevoerwegen waren door wegversperringen ontoegankelijk.

De mijnwerkers verloren al hun vrijheden. Paspoorten en rijbewijzen moesten ze afgeven en daarvoor in de plaats kregen ze een persoonsbewijs van het militair bestuur. In- en uitreisvisa werden alleen verstrekt door militaire commandanten, zodat het gebied een staat in de bezettingszone vormde. Agenten-verklikkers rapporteerden alle ongevallen, onklaar geraakte machines en instortingen aan de Russische geheime dienst. Toeval bestond niet. Alle ongelukken werden zonder meer als sabotage beschouwd en arbeiders die op rapport moesten komen, keerden zelden terug. Duizenden mijnwerkers verdwenen in Sovjet-kampen. Von Feindfahrt nicht zurück, heette dat in de volksmond.

Toen de

-staat in 1949 werd gesticht veranderde er niet veel aan de militaire structuur van het bedrijf. Het bleef een staat in de staat waar zelfs de president niets te vertellen had.

Vrede

In Kulturhaus Aktivist, de mijnwerkersclub van Schlema, galmt de nieuwe schlager, Bratkartoffeln und Spiegeleier, door de langwerpige ruimte, die met zijn dikke, ronde stutbalken aan een mijngang doet denken.

Günther Wielisch komt hier vrijwel dagelijks. Dertig jaar lang heeft hij als kompel, als Hauer uraniumerts gedolven. In 1963 meldde hij zich aan bij de Wismut. De arbeidsomstandigheden waren inmiddels verbeterd en hij verdiende zo'n 1000 tot 1500 Ostmarken - 500 mark per maand meer dan het gemiddelde loon in de

. Natuurlijk was het zwaar werk, maar hij was gezond en de onderlinge solidariteit vond hij uniek. En de propaganda-afdeling van het bedrijf functioneerde goed. “Ons werd gezegd dat wij met de uranium die we naar boven haalden een bijdrage leverden aan de vrede. Des te meer wij wonnen, des te groter de kans op vrede. Daarom moesten we iedere keer het Plan overtreffen.” Eigenlijk gelooft hij dit allemaal nog steeds, zegt hij. “Het ging om het nucleaire evenwicht en daaraan hebben wij een bijdrage geleverd.”

Een mijnwerker hoorde in die dagen tot de voorhoede van het proletariaat en had dus een hoge status. Dat gold zeker voor de Wismut-arbeiders. Net als anderen wilde Wielisch het werk vijf jaar doen, veel geld verdienen,en dan de mijn verlaten. Maar zoals een prostituee de beslissing niet kan nemen omdat ze verslaafd is aan haar hoge inkomen, zo bleven de meeste arbeiders in de mijn. “Onze sociale voorzieningen waren goed. En het gebrek aan vrijheid deerde ons niet.”

Wielisch heeft zijn jaren onder de grond redelijk doorstaan. Hij is slechts voor 25 procent afgekeurd wegens doofheid, die hij opliep door het jarenlang gedreun van de boormachines. Maar de gevreesde Schneeberger Krankheit, waar veel mijnwerkers aan lijden als gevolg van straling, heeft hem nog niet getroffen. “Maar je weet het nooit”, zegt hij, “elk moment kan het zover zijn. De helft van mijn collega's ben ik al verloren.” Vroeger werd nooit over de risico's gesproken: “Je wist dat het werk gevaarlijk was, maar aan de straling dacht je niet. Als je nu met een geigerteller rondloopt piept hij regelmatig.”

Tot 1989, toen de productie werd gestaakt, was Wismut AG de basis voor de nucleaire industrie van de Sovjetunie. Na de eenwording nam de Bondsregering de verantwoordelijkheid over. “De produktie was niet meer rendabel, Duitsland kon veel goedkoper uranium kopen op de wereldmarkt,” verklaart Werner Runge, voorlichter op het hoofdkantoor van de Wismut AG in Chemnitz - het voormalige Karl Marx Stadt. Het bedrijf ontleent zijn bestaansrecht nu aan de sanering en het economisch herstel van de streek en heeft nog 'slechts' 4500 werknemers. Vijftien miljard mark heeft de Duitse regering voor deze grote schoonmaak uitgetrokken, zegt Runge. Dat is geen overbodige luxe, want de naoorlogse uraniummijnbouw heeft haar sporen achtergelaten: fabrieksterreinen met een radioactiviteit van tien keer de geaccepteerde waarde, zwaar vervuild water en een abnormaal hoog percentage kankergevallen - alleen al bij tienduizend voormalige mijnwerkers werd de laatste jaren kanker geconstateerd.

“Als alles goed gaat”, voorspelt Runge, “kan de Wismut in het jaar 2010 worden opgeheven. Dan is dit gebied weer even schoon als aan het begin van de eeuw.”

Maar niet iedereen gelooft dat. Ook Günther Wielisch niet. “Het Sanierungsbetrieb”, zo zegt hij, “dekt het stralende afval af. Het wordt in oude mijngangen teruggestort of in een Giftschlamm-meer gegooid. Je ziet het zo niet meer, maar het is er nog wel. Het hele gebied is bijna een halve eeuw lang omgewoeld. Het zal ook minstens een halve eeuw duren voor het hier weer leefbaar is.”

Het Parkhotel in Oberschlema heeft een lange traditie. Na de opening in 1918 werd het al snel het belangrijkste radiumbad van Duitsland, vergelijkbaar met de radiumbaden in Karlsbad, dat aan de andere - Tsjechische - kant van de grens ligt. Uit de hele wereld kwamen de welgestelden voor de geneeskrachtige werking van het uit uraniumerts gewonnen radium - jaarlijks waren er zo'n zeventienduizend bezoekers.

Dertig jaar later moest het kuuroord wijken voor de Wismut AG. Eerst werd het een onderkomen voor Sovjet-officieren en in 1950 werd het hotel gesloten als een 'onbeduidend bad voor kapitalisten en nazi's', zoals de Sovjet- autoriteiten het noemden.

Met ondersteuning van het Sanierungsbetrieb Wismut is het Parkhotel nu gerestaureerd en zijn de radiumbaden weer geopend. Het loopt storm, vertelt de receptionisme. Er komen nog geen toeristen, helaas, maar wel ex-mijnwerkers uit de streek die hopen met radiumbaden van hun Schneeberger Krankheit af te komen. “Dit wordt een gezond gebied”, zegt ze met een serieus gezicht.