De particuliere belegger is zo gek nog niet

Aandelen, koopt aandelen. Beleggingsfondsen, pensioen- en levensverzekeraars kunnen er niet vaak genoeg op wijzen: een belegging in aandelen rendeert structureel beter dan elke ander beleggingsvorm - afgezien dan van zeer speculatieve transacties.

Dat is over de laatste vijftien jaar in Nederland grosso modo inderdaad het geval geweest. Nederlandse beleggers hebben het advies de laatste jaren massaal opgevolgd, gelokt door de door de fondsen gepubliceerde resultaten uit het verleden.

Daarmee is het risicoprofiel van de gemiddelde Nedelandse investering in een beleggingsfonds flink toegenomen. De verhouding tussen aandelen- en obligatiebeleggingen is sinds 1992 gewijzigd van 71 procent obligaties en 29 procent aandelen tot 63 procent obligaties en 37 procent aandelen in het eerste kwartaal van dit jaar, zo blijkt uit een recent onderzoek. Daarmee zijn Nederlanders risicolievender geworden dan beleggers in veel andere industrielanden. Ook bij Duitse en Zweedse beleggers is dit het geval. Duitsers staken in 1989 nog maar 23 procent in aandelen, tegen 31 procent halverwege dit jaar. Zweden hebben hun aandelenbeleggingen opgevoerd van 60 procent in 1990 tot 71 procent in het eerste kwartaal van dit jaar.

In Frankrijk is daarentegen de verhouding tussen aandelen en obligaties veranderd van 52 procent aandelen in 1989 naar 42 procent nu. Ook in Italië is het animo voor aandelen teruggelopen, van 44 procent in 1989 tot 24 procent. En Spanjaarden staken vijf jaar geleden een magere 8,3 procent in aandelen, en dat is alleen maar verder teruggelopen tot 7 procent.

Een aparte categorie zijn de Angelsaksische landen, waar de verhouding tussen aandelen en obligaties totaal anders ligt. In de Verenigde Staten is het aandeel van aandelen toegenomen van 44 procent in 1989 tot 64 procent nu. En Britse beleggingsfondsen hielden vijf jaar terug -en nu nog steeds- 97 procent aandelen en 3 procent obligaties in portefeuille.

'Noord'-Europa is kennelijk meer op aandelen overgestapt, terwijl 'Zuid'-Europa juist obligatiebeleggingen heeft omarmd. Wat verklaart deze verschillen? Het zou een kwestie kunnen zijn van relatieve welvaart: een obligatiebelegging geeft een hogere vaste inkomensstroom, in de vorm van rente, dan het dividend uit een aandelenbelegging. Mikken op waardestijging, het motief dat bij een aandelenbelegging prevaleert, is een kenmerk van grotere luxe: de vruchten van de belegging zijn niet onmiddellijk nodig. Maar overal in Europa rukken de 'groeifondsen' op: beleggingsfondsen die dividend of rente inhouden, daar vennootschapsbelasting over betalen, zodat de belegger enkel vermogensgroei geniet.

De verklaring ligt eerder in een opmerkelijk goede inschatting door de deelnemers aan beleggingsfondsen: in de jaren negentig vindt in Europa een proces van financiële convergentie plaats. De rentestanden naderen elkaar steeds dichter. Dat heeft te maken met het vooruitzicht van de ene Europese munt.

Een hoge rente op obligaties geeft sowieso al een goed rendement. Als de rente op obligaties hoog is en daalt, vertaalt zich dat in een koersstijging van die obligatie. Dat betekent dat de houders van de obligaties met het aanvankelijk hoogste rendement er in het Europese convergentieproces het meest op vooruit zijn gegaan. En die beleggers bevinden zich juist in Zuid-Europa.

De Italiaanse rente op langlopende overheidsobligaties is sinds 1990 gedaald van bijna 15 procent tot 9,3 procent nu. Een Italiaan die sinds begin 1990 in obligaties belegde, heeft nu een opgeteld totaalrendement van 148,1 procent. Dat is meer dan welke aandelen-indexbelegging ook in de Westerse wereld in die periode in lokale valuta heeft opgeleverd. De Italiaanse beurs deed het bar slecht: over ruim 5,5 jaar in totaal een rendement van 16,6 procent, incusief herbelegging van dividend. De Italiaanse burger heeft dus uitstekend gecalculeerd in zijn afweging tussen obligaties en aandelen. Spanjaarden haalden in dezelfde periode een rendement van 135,9 procent op obligaties, tegen 61,4 procent op aandelen en Fransen een nog steeds aantrekkelijk obligatierendement van 97 procent, tegen een magere 34 procent op aandelen.

De meer op aandelen gerichte Noord-Europeanen maakten over het algemeen ook de juiste keuze. Zweden haalden een obligatierendement van 101,4 procent, maar aandelen rendeerden toch beter, met 102,6 procent. Nederlanders konden 84,3 procent verdienen met obligaties, maar haalden veel hoger een rendement op aandelen, van 130,3 procent. Britten haalden 126 procent op aandelen, tegen 111 procent op obligaties. Alleen Duitsers gokten mis: obligaties leverden daar 75,5 procent op, tegen 36,5 procent voor aandelen.

Het adagium dat aandelen het structureel beter doen dan obligaties gaat in Zuid-Europa tot nu toe niet op. Maar het Europese 'convergentieproces' van rentes, dat aan de hoge rendementen daar ten grondslag ligt, zal eens ten einde lopen. De Franse rentes zijn al vrijwel gelijk aan de Duitse, en ook Italië en Spanje naderen de Duitse rentestand steeds dichter.

Dat kan betekenen dat de binnenlandse aandacht van beleggers daar gaandeweg wordt verlegd naar de aandelenmarkt. Maar het zal nog een tijd duren voor beleggingsfondsen daar, net als hier, kunnen adverteren met 'structureel' hogere rendementen op aandelen.