De kiezers hebben bij verkiezingen geen keus meer

Politieke partijen verschillen nauwelijks meer van elkaar, omdat de negentiende-eeuwse beginselen waarop zij zich baseren geen onderscheidende werking meer hebben.

S.W. Couwenberg pleit voor dichter bij de praktijk staande beginselen en voor stembusakkoorden, ook op regionaal en lokaal niveau, om de huidige politieke impasse te doorbreken.

PvdA-fractieleider J. Wallage verklaarde onlangs dat Nederland in ideologisch opzicht nog heel lang een politiek driestromenland van sociaal- en christen-democraten en liberalen zal blijven. Hij is ook een warm voorstander van modernisering van het PvdA-beginselprogramma van 1977. Ook in de andere partijen blijft men genoeglijk denken in de negentiende-eeuwse ideologische termen en politieke verhoudingen, hoewel daar al in de jaren zestig mee is afgerekend en alle pogingen tot reïdeologisering sindsdien mislukt zijn. Op de drempel van de 21ste eeuw wenden onze toonaangevende partijen hun blik nog onbeschroomd naar de vorige eeuw om hun positie te bepalen. Zij behoren zodoende tot de conservatiefste instellingen in onze samenleving. Alle pogingen tot staatkundige vernieuwing hebben zij uit vrees voor een ongewisse toekomst om zeep gebracht. D66 ontleent haar bestaansreden aan haar staatkundig vernieuwingsstreven, maar is als vernieuwingsbeweging mislukt.

Al jaren leven we in een virtuele politieke werkelijkheid. Onze politici doen alsof er nog altijd sprake zou zijn van duidelijke ideologische scheidslijnen die de kiezers in staat zouden stellen een relevante politieke keuze te maken. Zij baseren hun politieke identiteit zonder blikken of blozen op eigen beginselprogramma's, die alleen nog dienen als politiek vlagvertoon.

Wat hebben PvdA-politici gedaan met hun beginselprogramma van 1977, waarin een nieuw sociaal-economische orde wordt gestipuleerd, die volledig gebaseerd is op socialistische beginselen evenals radicale democratisering van de hele samenleving, inclusief afschaffing van de monarchie? De jarenlang ideologisch bevlogen PvdA-voorzitter M. van den Berg, die tot taak kreeg dit beginselprogram in de politieke praktijk tot gelding te brengen, verklaarde in 1982 dat er ook in zijn partij weinig verband is tussen de officieel beleden beginselen en de praktische politiek en dat pragmatisme ook in zijn partij in feite de - wisselende - koers bepaalt. Wie zal dat tegenspreken, die onze politiek nuchter bekijkt?

Bij

en

is het zeker niet anders. Ook daar geeft pragmatisme de toon aan. Stond de no nonsense politiek van de kabinetten-Lubbers in de jaren tachtig niet haaks op de met veel tam tam beleden beginselen van die partij? Werkte die partij niet jarenlang probleemloos mee aan de verstatelijking van het maatschappelijk middenveld ondanks de sterke nadruk van die partij op de eigen verantwoordelijkheid van dit middenveld? Nederland gold jarenlang als een kartelparadijs en de

heeft zich daar nauwelijks tegen verzet ondanks het liberale beginsel van vrije concurrentie.

Dat beginselprogramma's in de politieke praktijk slechts een marginale rol spelen, is medio jaren tachtig nog eens bevestigd in een wetenschappelijke studie over de filosofische achtergronden van beginselprogramma's. Gevraagd naar hun zozeer gekoesterde beginselen komen onze politieke leiders niet verder dan wat vage algemeenheden zoals gerechtigheid, solidariteit, menselijke waardigheid, gemeenschapszin, gespreide verantwoordelijkheid e.d. Wie is daar in gemoede tegen? Kunnen onze politici eindelijk niet eens ophouden allerlei algemeen aanvaarde waarden als typisch behorende tot hun eigen ideologie voor te stellen? Als burgers zijn we echt niet zo stom dat we in die partijpolitieke verlakkerij blijven trappen, al kunnen politici de burgers ongetwijfeld heel wat onzin op de mouw spelden.

Ideologen van PvdA en

vinden elkaar thans in hun streven naar een 'civil society', meldt Elsevier. Anders dan

en D66 hebben zij een gemeenschappelijk belang als steunpilaren van de idee van een 'civil society'. Maar die idee heeft oer-liberale en oer-Nederlandse wortels, zoals ieder weet die enigszins op de hoogte is van politieke filosofie en geschiedenis. De sociaal-democratie heeft zich juist lange tijd zeer kritisch opgesteld tegen de idee van zelf verantwoordelijke burgers die die verantwoordelijkheid met medeburgers in eigen autonome verbanden in praktijk brengen.

Moeten we niet eens af van de politieke pretenties van beginselprogramma's? Die zijn nu niet veel meer dan ideologische verpakking van wisselende beleidskeuzes, die sterk door pragmatische overwegingen worden bepaald (herverkiezing, interventies belangengroepen, de vraag of men regerings- of oppositiepartij is).

Maakt een beleidsvisie in verkiezingsprogramma's die gemotiveerd en bepleit wordt op basis van bepaalde duidelijk omlijnde beginselen de politiek niet geloofwaardiger? De praktisch politieke betekenis van beginselen wordt op die manier direct gedemonstreerd.

Duiden de snelle groei van zwevende kiezers en de sterke daling van het ledental van partijen niet onmiskenbaar op het einde van traditionele partijpolitieke ideologieën als politiek bindmiddel? De burger is daar niet meer in geïnteresseerd, zoals ook in de artikelenserie Na 1966 werd geconstateerd.

In onze huidige cultuur worstelen we op tal van terreinen met een crisis rond woord en beeld. Duiden we daar niet iets reëels mee aan of verwijzen ze alleen nog naar elkaar, zo ja, representeren ze dan nog iets? Die representatiecrisis teistert in hoge mate onze huidige partijpolitiek. Gaat die echt nog over iets reëels of wordt met allerlei ongrijpbaar geworden politieke clichés een politiek schimmenspel opgevoerd om bestaande partijpolitieke verhoudingen en machtsposities in stand te houden.

De huidige bewindslieden van de

zijn praktisch inwisselbaar voor n'importe welke andere politicus van

of PvdA, constateert F. van Empel in

van 16 augustus j.l. V

-bewindsman J. Voorhoeve constateert op zijn beurt in een recent interview dat de feitelijke breuklijnen in kabinetsdiscussies iedere keer weer anders lopen en niet samenvallen met partijpolitieke scheidslijnen. Interessant. Maar beweerde premier Kok niet eind vorig jaar in zijn Den Uyl-lezing dat de komende tien jaar twee visies om de voorrang strijden; de liberale en de sociaal-democratische visie?

Dit betekent dat de belangrijkste politieke controverse niet zozeer betrekking heeft op de relatie tussen het paarse kabinet en de oppositie in het parlement, maar binnen het paarse kabinet wordt uitgevochten. Maar uit een recent themanummer van Liberaal Reveil blijkt dat de ministers het prima met elkaar kunnen vinden. Wat moeten we als kiezers met zo'n in vage nevelen gehuld partijpolitiek besteld?

Sinds het einde van de jaren vijftig spreekt men al over het einde van de ideologie. Is de rol van de ideologie helemaal uitgespeeld? Dat is inderdaad het geval als voornaamste basis van partijpolitieke tegenstelling. Sinds de jaren zestig is er in de westerse wereld een gemeenschappelijke liberaal-democratische ideologie gegroeid als bron van inspiratie en oriëntatie, die we in de Koude Oorlog als westerse waarden verdedigd hebben tegen het communisme.

De politieke discussie en strijd gaan nu voornamelijk over de praktische toepassing van de grondslagen van die ideologie: het rijke scala aan mensenrechten, de beginselen van de democratische rechtsstaat en die van de verzorgingsstaat en sociale markteconomie. Men vindt ze alle verankerd in onze constitutionele rechtsorde en bevestigd in een reeks van internationale documenten.

Evenals onze samenleving is ook de ideologische discussie sterk gefragmenteerd. Op deelterreinen zoals bestuurlijke organisatie, criminaliteitsbestrijding, opvoeding en onderwijs, natuur en milieu, sociale zekerheid, buitenlandse politiek e.d. is die discussie nog volop actueel. Het gaat hier echter om partiële ideologieën die los staan van de traditionele partij-ideologieën.

Als er nog wat te kiezen valt bij verkiezingen, moet die keuze voornamelijk gezocht worden in een verschillende aanpak van beleidsproblemen en de kwaliteit van het politieke management. Maar door ons kies- en veelpartijenstelsel en onze politieke consensustraditie zijn partijen ook te dien aanzien niet in staat de kiezers een duidelijke keuze te bieden. Dit manco is door de politieke vernieuwers van de jaren zestig al in alle scherpte aan de orde gesteld.

Maar de meeste politici blijven maar doen of er op dit punt niets aan de hand is. En zodoende zitten we nog steeds opgescheept met een politieke constellatie die in democratisch opzicht ernstig tekort schiet en met verkiezingen die verworden zijn tot een procedure zonder duidelijke politieke effecten op het beleid en de vorming van de regering of bestuurscolleges op provinciaal en gemeentelijk niveau; een plichtmatig herhaald ritueel dat alleen nog dient om onze politici aan enige formele legitimiteit te helpen.

Hoe lang kunnen onze politici hiermee nog doorgaan zonder alle geloofwaardigheid te verliezen? Een van de minst ingrijpende opties om de huidige politieke impasse te doorbreken is dat op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau het idee van stembusakkoorden tussen bepaalde partijen weer opgepakt wordt. Dit is een van de ideeën die in de jaren zestig gelanceerd zijn om bij verkiezingen een relevante politieke keuze te creëren. Zo'n stembusakkoord zou betrekking moeten hebben op de presentatie van een gemeenschappelijke beleidsvisie, die uitgedragen wordt door een gemeenschappelijk politiek managementteam. Of is zelfs zo'n bescheiden politieke vernieuwing nog te hoog gegrepen voor onze politici?