BRUINROT IS MOEILIJK UIT TE ROEIEN; De geplaagde aardappel

De aardappelziekte bruinrot is een hardnekkige vijand, die zich via de plant bitterzoet en het oppervlaktewater kan blijven verspreiden. De menselijke gezondheid loopt geen gevaar, maar de schade voor de boer is aanzienlijk.

'IK VREES dat we met deze ziekteverwekker moeten leren leven,'' zegt ir. C.D. van Loon van het Proefstation voor Akkerbouw en Groenteteelt in de Volle Grond (PAGV) in Lelystad. Van Loon doelt op Pseudomonas solanacearum, de veroorzaker van de aardappelziekte bruinrot. Vorig jaar dook het micro-organisme in Nederland op en veroorzaakte een schade van 19 miljoen gulden bij ruim honderd aardappeltelers. Ook de nieuwe aardappeloogst, zo'n drie weken geleden op gang gekomen, bevat besmette partijen. De Plantenziektenkundige Dienst (PD) in Wageningen meldde afgelopen woensdag de eerste besmetting. De PD trof de bacterie aan in een partij van bijna 100 ton pootaardappelen, afkomstig uit het Noordhollandse Wieringermeer. Deze zullen onder toezicht van de dienst worden vernietigd.

De besmetting heeft onrust gezaaid onder de Nederlandse handelaren in pootaardappelen. Pootgoed is een belangrijk exportprodukt. Vorig jaar exporteerde Nederland bijna een miljoen ton pootaardappelen, met een waarde van 500 miljoen gulden. De helft daarvan ging naar Europese landen, met als belangrijkste afnemers Italië, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Portugal, Groot-Brittannië, België en Luxemburg. Bijna 300.000 ton ging naar ontwikkelingslanden, met name de Noordafrikaanse landen Egypte, Marokko, Algerije en Tunesië. Hoewel landen als Frankrijk, België en Engeland een hetze begonnen tegen de Nederlandse pootaardappel, nam in 1995 hun import amper af. De export naar Spanje, Italië en Duitsland vertoonde een daling met respectievelijk 45.000, 8.000 en 7.000 ton. Alleen Syrië, normaal gesproken afnemer van 6.000 ton, kondigde een importstop af wegens de bruinrotbesmetting.

Niet bekend

De PD controleert het gehele Nederlandse pootgoed om de afnemers te garanderen dat het gekochte materiaal niet besmet is. Ondanks deze intensieve controle zal de bruinrotbacterie zich voorlopig in ons land handhaven. P. solanacearum heeft namelijk niet alleen de aardappel als gastheer. Hij kan ook andere leden besmetten van de Nachtschadefamilie (Solanaceae) waar de aardappel toe behoort. De bacterie gedijt in zwarte nachtschade, eierplant en tomaat, maar zijn belangrijkste gastheer naast aardappel is bitterzoet (Solanum dulcamara). Vooral uit deze plant kan de bacterie zich verspreiden.

VOCHTIGE BOSSEN

Bruinrotbacteriën die na het rooien van de aardappelen in de akkergrond zijn achtergebleven, zullen de wintermaanden niet overleven. Maar de bacteriën die zich in een gastheer bevinden, halen de volgende lente. En dan beginnen de problemen. Bitterzoet gedijt goed in vochtige bossen en aan waterkanten. P. solanacearum kan via het wortelstelsel van bitterzoet in het oppervlaktewater terecht komen. En van daaruit op het land. Want in het voorjaar gebruikt de boer oppervlaktewater om zijn aardappelen te beregenen.

Vorig jaar november werd de bacterie tijdens een kleinschalige controle in het oppervlaktewater bij het Friese Engwierum en het Groningse Niehove aangetroffen. In het voorjaar werd die controle uitgebreid. De meest recente metingen melden dat de bruinrotbacterie aanwezig is in oppervlaktewater en/of bitterzoet bij de Friese plaatsjes Dokkum, Bartlehiem, Het Bildt, Dronrijp en in het Magrietkanaal tussen het Sneekermeer en het Bergumermeer; in Drenthe tussen Emmen en Gramsbergen; in de kop van Noord-Holland bij Akersloot en in het Amstelmeerkanaal bij Wieringermeer; ten slotte in Zuid-Holland bij Leimuiden en tussen Den Helder en Julianadorp. “Voor de akkerbouwer is het vanzelfsprekend van belang om met water te beregenen dat niet besmet is. Of hij moet helemaal niet beregenen”, zegt Van Loon, die coördinator is van een grootschalig onderzoek dat in januari van start ging. Het PAGV werkt hierbij samen met het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek, de vakgroepen Fytopathologie en Microbiologie van de Landbouwuniversiteit Wageningen, het laboratorium voor Monoklonale Antistoffen, de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaizaad en Pootgoed (NAK) en de PD. Via het onderzoek willen de aardappeldeskundigen onder andere de ecologie van de bacterie verder ophelderen.

De Nederlandse Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) heeft inmiddels voorgesteld om bitterzoet langs de waterkanten van de Nederlandse landbouwgronden te verwijderen. “Maar die beslissing neem je pas als vaststaat dat bitterzoet en oppervlaktewater een belangrijke bron van besmetting zijn. Dat onderzoekt loopt op het moment nog”, zegt D. Risseeuw, secretaris van de vakgroep Akkerbouw van de LTO. Van Loon noemt deze oplossing echter onrealistisch: “Hier in de polder is het misschien nog wel te doen, maar hoe stel je je zoiets voor in een dichtbegroeid en slecht begaanbaar natuurgebied als de Weerribben. En uit zo'n ontoegankelijk gebied kan de bacterie uiteindelijk weer in de sloot langs het aardappelveld terecht komen.”

Een andere mogelijkheid om de bruinrotbacterie van het land te houden, is een verbod op het gebruik van oppervlaktewater. Daartegen hebben de boeren in eerste instantie fel geprotesteerd. Als ze niet beregenen kunnen hun aardappelen schurft oplopen. De veroorzaker van deze ziekte, de schimmel Streptomyces scabies, infecteert nieuw gevormde knolletjes. De akkerbouwer beregent vanaf eind mei, begin juni gedurende een periode van ongeveer drie weken en voorkomt daarmee besmetting met deze droogteminnende schimmel. De LTO, de PD en het Landbouwschap hebben de boeren dit voorjaar dringend geadviseerd niet te beregenen met oppervlaktewater. “Ik heb de indruk dat de meeste aardappeltelers dat advies hebben opgevolgd”, zegt D. Risseeuw, hoewel hij inziet dat veel boeren grote moeite met deze beslissing hebben gehad. “Ze moeten kiezen tussen twee kwaden. Als ze het oppervlaktewater gebruiken, lopen ze kans dat hun hele bedrijf wordt aangemerkt als 'besmet met bruinrot'. De besmette aardappelen worden dan vernietigd en de opbrengst van de andere percelen keldert in waarde. Als ze niet beregenen, lopen ze kans op aardappelschurft. Een deel van de oogst vermindert daardoor in kwaliteit. Wat de schade hiervan zal zijn, weet ik nog niet.”

Een alternatief voor het gebruik van oppervlaktewater is het oppompen van grondwater. Dat bevat geen bruinrotbacterie. Het meeste grondwater is voorhanden in hoger gelegen zandgronden, onder andere in het noordoosten van het land. In deze gebieden telen de akkerbouwers vooral fabrieksaardappelen, bestemd voor de zetmeelverwerkende industrie. De westelijke en noordelijke gebieden, die vaak om en nabij het zeeniveau liggen, herbergen weinig geschikt grondwater. Als het er al is, is het vaak veel te zout. In deze gebieden concentreert zich de teelt van poot- en consumptie-aardappelen.

Juist voor de beregening van pootgoed is zuiver water van groot belang. Een besmette pootaardappel kan meer schade aanrichten dan een besmette consumptie- of fabrieksaardappel omdat een pootaardappel nog een keer de grond in gaat, voor de vermeerdering van pootgoed of voor de produktie van consumptieaardappelen. Van Loon: “De grootste besmettingsbron voor de aardappel blijft de aardappel zelf. Een geïnfecteerde pootaardappel die door de controle glipt kan de bron zijn van een uitwaaierende besmetting. Een consumptie-aardappel met een onopgemerkte, lichte besmetting belandt in de winkel. Het RIVM heeft vorig jaar trouwens laten weten dat de bruinrotbacterie geen gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid.”

Bij het Europese Permanente Phytosanitaire Comité staat bruinrot bekend als 'quarantaineziekte'. Een dergelijke ziekte wordt zo gevaarlijk geacht dat ze niet in pootgoed mag voorkomen.

De controle op het Nederlandse pootgoed eist zo'n inspanning (vorig jaar werden ongeveer één miljoen pootaardappelen gecontroleerd) dat de PD een deel ervan overlaat aan de NAK in Emmeloord. De NAK voert bovendien de normale controle uit op ziekten als schurft en natrot, en gebreken zoals kiemen, drukplekken en misvormingen.

PROTOCOL

Controle op bruinrot gebeurt via een internationaal erkend protocol. De controleurs van de PD halen uit elke 25 ton pootaardappelen een monster, bestaande uit 200 knollen. Uit het naveleinde, het verbindingspunt met de moederknol, wordt een stukje gesneden. Dit weefsel wordt vermalen en op microscoopglaasjes vastgeplakt. Daarna voegt de onderzoeker een fluorescerend antilichaam toe dat zich hecht aan de celwand van de bruinrotbacterie. Als er bacteriën aanwezig zijn, lichten die onder de microscoop groen op.

Helaas is het antilichaam niet honderd procent specifiek. Het kan zich nog aan een andere bacterie hechten. De fluorescentietest levert daarom een tussenuitslag op: er is geen besmetting, of er is 'een mogelijke besmetting'. In het laatste geval wordt een aantal jonge tomatenplanten met het sap uit het naveleinde besmet. Als van die planten plotseling de bladeren verwelken, de bladsteel zich ineens stijf neerwaarts buigt en het blad omkrult en enigszins vergeelt, dan is het vermoeden op een besmetting met de bruinrotbacterie zo goed als bevestigd. Als ten slotte de ziekteverwekker weer uit die tomatenplanten geïsoleerd kan worden, is de uitslag definitief positief. De gehele test neemt twee tot zes weken in beslag.

Ondanks de intensieve controle zal de Nederlandse aardappel voorlopig blijven kampen met bruinrot. Planten die resistent zijn tegen P. solanacearum of de schimmel Streptomyces scabies, komen er de eerste jaren niet. En ook gewaswisseling is geen blijvende garantie voor bruinrotvrije aardappelen. Van Loon. “Zolang er aardappel, bitterzoet en oppervlaktewater zijn, en zolang de akkerbouwer blijft beregenen, kan de cyclus gesloten blijven. Het ziektegevaar zal nog wel even blijven bestaan.”