Waanzinnige passie in roman McGrath; Een intelligente kleindochter van Emma Bovary

Patrick McGrath: Asylum. Viking, 250 blz., ƒ 51,85. Patrick McGrath: Het gesticht. Vertaald door Ria Loohuizen. Prometheus, 315 blz., ƒ 39,90

Een jonge, getrouwde vrouw raakt erotisch geobsedeerd door een beeldhouwer die in een gesticht zit opgesloten, omdat hij zijn eigen vrouw heeft onthoofd. Als één schrijver een gevaarlijk scheve blik op de werkelijkheid heeft, dan is het wel Patrick McGrath. Al na het eerste hoofdstuk van Asylum, zijn nieuwe roman, waan je je op bekend terrein: onbedwingbare impulsen, zelfbedrog, het begin van paranoia en waan. Die schijn bedriegt niet, want deze roman bevat de vertrouwde vervreemding die McGraths eerdere boeken kenmerkte - een door-en-door Engels decor dat Victoriaans aandoet (hoewel het verhaal in het begin van de jaren zestig speelt), een onwerkelijk atmosfeer van dreiging en mysterie. Maar de schrijver overtreft zichzelf dit keer ook.

Een paar jaar geleden heeft McGrath zijn werk zelf een etiket opgeplakt, toen hij een bloemlezing samenstelde met de titel The New Gothic. Daarin bracht hij Angelsaksische schrijvers samen die, net als hij, de uitzinnige kanten van het leven onder woorden proberen te brengen met uitzinnige literaire middelen, zoals zwarte humor en effecten die geleend worden uit het griezelkabinet van de horror. Maar anders dan bij dat laatste genre, verliest McGrath de herkenbare werkelijkheid nooit uit het oog. De gruwelen in zijn romans en verhalen willen nadrukkelijk meer zijn dan onderhoudend effectbejag.

De personages van McGrath zijn altijd gevangenen van zichzelf. Wat de lezer ziet, zijn de vervormde projecties van hun angsten en verlangens op de muren van hun benarde geest. Maar wat achter die groteske beelden schuilgaat, is realistisch genoeg: kwetsbare zielen die niet opgewassen zijn tegen machten binnen en buiten hen. Wat de strakke, ironische plots van McGrath's romans steeds opnieuw onthullen, is een deerniswekkende weerloosheid.

Toch is het juist dit sterke vormbesef dat me eerder nogal eens verhinderde die deernis ook werkelijk te voelen. De kunstgreep van de onbetrouwbare verteller, die ondanks zichzelf zijn tragiek blootgeeft, werd door McGrath een aantal keren op een briljante manier toegepast - The Grotesque, Spider, Dr Haggard's Disease - maar het was een brille die aan de oppervlakte schitterde. Het mechaniek van deze boeken was vaak net iets te opzichtig, net iets te bedacht, om het pathos dat McGrath nastreefde ook werkelijk op te roepen.

In Asylum lukt hem dat wel, en meer dan dat. Het verhaal van de obsessie die Stella Raphael, echtgenote van een kurkdroge onderdirecteur van een inrichting voor misdadige geesteszieken, ontwikkelt voor een van de patiënten, de jonge, hevig gestoorde beeldhouwer Edgar Stark, ontsnapt op een bijna achteloze manier aan iedere voorspelbaarheid. De intrige, spannend en uiterst geraffineerd, staat dit keer geheel en al in dienst van de personages, in de eerste plaats van Stella. Naarmate zij, voorgedreven door haar blinde passie, steeds meer op het spel zet, haar huwelijk, haar echtgenoot, haar zoontje, haar eigen leven, groeit wat aanvankelijk niet meer leek dan een bizar gegeven uit tot een tragedie.

Stella bedriegt haar echtgenoot, helpt haar gestoorde minnaar ontsnappen, laat haar gezin in de steek en reist hem achterna naar Londen. Daar komt zij in een maalstroom terecht die haar onvermijdelijk naar een catastrofe sleurt. Maar niet de catastrofe die je verwacht. De verrassing voor de lezer is dat achter Stella's psychopathische obsessie een oprechte hartstocht schuilgaat. Haar aberratie blijkt een grote liefde - zelfs wanneer Edgar haar dreigt te vermoorden, verontschuldigt zij hem omdat ze beseft dat hij ziek is.

Wat ze voelt en meemaakt wordt de lezer verteld door een derde speler in het spel, dr Peter Cleave, een collega van haar echtgenoot, die Stella onder zijn hoede neemt in de inrichting, wanneer ze alles verloren heeft. Nauwgezet en klinisch tekent hij haar gruwelijke lotgevallen op. Hij behandelt haar als een patiënt, die na een seksuele obsessie in een diepe depressie is geraakt. Maar achter zijn beheerste, rationele terminologie, zo laat McGrath zien, gaan echte emoties schuil, heftig en extreem, en in laatste instantie ontembaar en ongeneeslijk. Hoe keurig hij zijn eigen leven ook heeft aangeharkt, de bedaagde verteller blijkt zelf uiteindelijk ook allesbehalve ongevoelig voor de waanzin van een grote hartstocht.

McGrath durft die waanzin echt waanzinnig te laten zijn. Nergens romantiseert of kleineert hij Stella. Ze is dader en slachtoffer tegelijk; in de greep van haar allesoverheersende obsessie verraadt ze al haar naasten en uiteindelijk betaalt ze met haar eigen leven. Dat maakt Asylum sterk: de belangrijkste ontknoping voltrekt zich dit keer in het hoofd van de lezer. Van een gestoord geval ontpopt Stella zich gaandeweg tot een intelligente, extreme kleindochter van Emma Bovary. De nietsontziende manier waarop ze haar hartstocht najaagt, en de totale gevoelloosheid waarin ze vervalt wanneer ze samen met man en zoontje in de grauwe woestenij van Noord-Wales belandt, worden door McGrath genadeloos scherp en onsentimenteel beschreven.

In passages als de laatste ontstijgt de roman moeiteloos zijn geconstrueerde karakter en is ieder effectbejag overbodig geworden. De horror welt op uit een ondraaglijke werkelijkheid, ontzetting slaat als vanzelf om in mededogen. Asylum is McGraths beste roman tot nu toe.

    • Bas Heijne