Verdachten moeten in eigen taal verhoord

DEN HAAG, 13 SEPT. Verdachten krijgen in het opsporingsonderzoek van politie en justitie het recht om te worden gehoord in een taal die zij begrijpen. Dit heeft het college van procureurs-generaal vastgelegd in een nieuwe richtlijn van het openbaar ministerie over de bijstand van tolken in het strafrecht.

Tot nu toe hadden verdachten volgens de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht alleen het recht op een tolk als er sprake is van een gerechtelijk vooronderzoek. Ook krijgen zij desgewenst van het ministerie van Justitie automatisch een tolk toegewezen tijdens het strafproces in de rechtszaal.

Het college van procureurs-generaal besloot onlangs de tolkenbijstand ook in de opsporingsfase te regelen om de positie van buitenlandse verdachten tijdens het justitiële onderzoek te versterken.

Als de politie een verdachte niet meteen na aanhouding verhoort, is de politie verplicht in een voor hem begrijpelijk taal te vertellen op welke verdenking hij is aangehouden, zo staat in de nieuwe richtlijn van het openbaar ministerie.

De politieman die het proces-verbaal opmaakt moet beoordelen of een verdachte het Nederlands in voldoende mate machtig is. Als de betrokkenen bij het onderzoek daarover twijfel hebben beslist de officier of de hulpofficier van justitie of voor de verdachte een tolk moet worden ingeschakeld. Ook als de verdachte zichzelf niet in staat acht voor de politie een verklaring af te leggen in het Nederlands, dan moet het verhoor in een andere taal worden afgenomen.