'Van Egters, verlaat dit lokaal'; Het manuscript van De Avonden

Het manuscript van De Avonden, een van Nederlands belangrijkste naoorlogse romans, wordt geveild. In het 535 pagina's tellende document is nu voor het eerst te zien hoe Gerard Reve in verschillende versies steeds minder uitgebreid stil stond bij zijn hoogstpersoonlijke herinneringen, en zo het boek tot 'de stem van een generatie' maakte.

Het is dat Gerard Reve pas drieëntwintig was toen hij De Avonden schreef en dat de roman zijn debuut was, anders zou men zweren dat hij wist dat het boek legendarisch zou worden. Waarom anders dan ten behoeve van Reve-vorsers en van het nageslacht grenst de boekhoudkundige ordening van manuscript en typoscript bijna aan perfectie? Nu, bijna vijftig jaar na het verschijnen van de roman, in 1947, het handschrift en de bij uitgeverij De Bezige Bij ingeleverde getikte laatste versie ten behoeve van verkoop uit de la zijn gehaald, kan men zich alleen maar verbazen over de precisie, waarmee de verschillende versies zijn genummerd en gemerkt. Liet men het pak papier van in totaal 535 bladen op de grond vallen, het zou weinig moeite kosten om het weer op volgorde te leggen. Het heeft er veel van weg, dat de piepjonge, onervaren schrijver zijn nalatenschap al aan het regelen was.

Zo is het natuurlijk niet gegaan: de nauwgezetheid van Reve is notoir. Niet alleen zijn stijl wordt er door gekenmerkt, maar ook de inhoud van zijn werk. Hoe talloos zijn niet de uitweidingen in brieven en in romans over het gewicht van papier, het aantal verbruikte kroontjespennen, en over op de cent berekende uitgaven en inkomsten? Al die details hebben een komisch effect, dat de schrijver zonder twijfel onderkent en in die zin is het verstrekken ervan een keuze, maar het zit hem daarnaast ook in het bloed. Zijn natuur verplicht hem tot precisie. Reve is een neurotische boekhouder.

Goddank is hij dat. Om auteursrechtelijke redenen en om de exclusieve rechten van de toekomstige koper te waarborgen mag een enkeling bij het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper slechts schaarse blikken in het document werpen, maar die zijn voldoende om opwinding te veroorzaken. Alle stadia van ontstaan van De Avonden, algemeen beschouwd als 20ste-eeuws of in elk geval na-oorlogs hoogtepunt in de Nederlandse literatuur, zijn na te trekken in het manuscript dat tot nu toe niemand heeft kunnen inzien. Het veilinghuis heeft er financieel belang bij, maar afgezien daarvan is het niet zo heel vreemd, dat het spreekt van 'het manuscript van de eeuw'. Dit document werpt nieuw licht op een boek, dat op dezelfde manier deel uitmaakt van onze cultuur als de zee, het koningshuis, het vlakke landschap, onze taal.

De opwinding vloeit ook voort uit de gruwelijke gedachte, dat wat nu eindelijk en onverwacht op tafel ligt straks misschien voorgoed verdwijnt. Het Letterkundig Museum heeft onlangs een belangrijk legaat gekregen, maar wat gebeurt er als het, om welke reden dan ook, niet tot aanschaf overgaat? Op de overheid hoeven we waarschijnlijk niet te rekenen en over de draagkracht van zich organiserende bewonderaars kunnen we twijfelen. Het schrikbeeld dat het manuscript op een buitenlandse universiteit belandt, is nog het minste. Erger is het nog als het in vermogende particuliere handen terechtkomt: we mogen hopen dat zo'n eigenaar begrip heeft voor het feit dat De Avonden tot het nationaal erfgoed behoort. Dat zo'n eigenaar en zijn toekomstige erven zo goed zullen zijn het manuscript ter beschikking te stellen voor studiedoeleinden.

Op 26 november worden het handschrift en het typoscript geveild. Verkoper is Reves levenspartner Joop Schafthuizen. Het document moet minimaal 160.000 gulden opbrengen. Er worden kijkdagen gehouden (22 t/m 25 november), waarop serieuze gegadigden inzage krijgen in een selectie van de bladen. Bij de veiling verschijnt een catalogus, die samengesteld is door Jeffrey Bosch, mede-eigenaar van het veilinghuis. Reve schrijft het voorwoord. Bij het manuscript behoren een door de schrijver 'speciaal' aangeschafte koffer (een gewoon, modern reismodel), en de kroontjespennen waarmee hij de roman geschreven zegt te hebben.

Zoals onlangs weer bleek toen Reve in het openbaar 'herinneringen' ophaalde aan zijn diensttijd in voormalig Nederlands-Indië ('Ik stuurde twee man een boom in om een driehoeksmeting te maken teneinde de positie van de vijand te bepalen'), is de schrijver een onbetrouwbare bron waar het zijn eigen leven en werk betreft. Mythevorming is een vast element van zijn kunstenaarschap. Over de wording van De Avonden heeft hij zich nooit in detail uitgelaten, hij doet zelfs wegwerperig over het boek. Niet De Avonden maar de in 1956 verschenen novelle Werther Nieland beschouwt Reve 'als een misschien nooit door mij te overtreffen hoogtepunt in mijn werk'.

We weten dat het boek een sterk autobiografisch karakter heeft. In De Avonden beschrijft Reve in tien hoofdstukken de lotgevallen van zijn alter ego Frits van Egters tijdens de laatste tien dagen van het jaar 1946; ieder hoofdstuk beslaat een dag. Aan het titelblad gaat een waarschuwing vooraf: 'Elke gelijkenis van figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personen of gebeurtenissen is toevallig', kan opgevat worden als een vorm van ironie en in elk geval als een formule, die een nog onzekere schrijver juridische bescherming biedt. Alle belangrijke personages zijn in de werkelijkheid getraceerd, Ischa Meijer interviewde een aantal van hen (Haagse Post 8 nov. 1972). Bekend is ook dat Reve het boek schreef in zijn ouderlijk huis, aan de Jozef Israëlskade 166 in Amsterdam, dat in het boek aan de 'Schilderskade 66' werd gesitueerd.

De bij het manuscript behorende bladen met aantekeningen, 'overwegingen' en 'voornemens', dertien in totaal, bevestigen de autobiografische indruk die het boek maakt. Van een blad met notities over de personages is de linkerbovenzijde weggescheurd. Hoogstwaarschijnlijk ontbreekt hierdoor informatie over de werkelijke namen van de naar het leven getekende romanfiguren - een begrijpelijke ingreep van een schrijver die zijn inspiratiebronnen wil beschermen en/of verdonkeremanen; er staat bijvoorbeeld: '(-) heet Walter Graafsche, bewoner aan gracht martelt vliegen en kat(-)'. En: '(-)n, Victor Poort, student klassieke talen (-)'. Onderaan het lijstje staat: '(...)gters, Simon van het Reve (-)'.

Op een van de bladen heeft Reve de weersverwachtingen bijgehouden van de in de roman beschreven periode. Aanvankelijk, zo blijkt uit de aantekeningen, wilde hij twaalf dagen beschrijven, in evenzoveel hoofdstukken. Onder het kopje Aanvulling op het plan tot het schrijven van De Winteravonden schrijft hij: 'Twaalf avonden zijn zeker niet te veel, in ieder geval elf worden het. Laat ons het voorloopig zoo indeelen: (-)' - waarop een schema volgt van de belangrijkste handelingen van zondag 22 december (1946) tot en met 2 januari (1947).

Reves voornemen twaalf hoofdstukken te schrijven - in plaats van de tien die het er uiteindelijk werden - verklaart zijn aantekeningen over het weer. Op het vel, dat al eerder werd gepubliceerd in Album Gerard Reve (Schafthuizen, 1983), beschrijft hij het weer op 21, 23, 24, 27, 28, 30 en 31 december en op 2 januari. Op een vel met de datering 'Tweede Kerstdag 1946' (ook opgenomen in Album Gerard Reve) schrijft Reve zich voor te nemen 'het werk in omtrent tien eenheden' in te delen; in een latere aanvulling op hetzelfde blad schrijft hij echter: 'Na elk van de twaalf gedeelten het gedeelte als persklaar in het net schrijven'. Aarzelend is hij ook in zijn titelkeuze. In de bovenmarge van vrijwel alle handschriftversies van de eerste drie hoofdstukken staat De winteravonden, waarbij het gedeelte 'winter' later consequent is doorgestreept met potlood.

Een belangrijke conclusie die uit het manuscript getrokken kan worden is dat er geleidelijk een verschuiving van het vertellersperspectief heeft plaats gehad: niet een alwetende verteller verschaft de lezer informatie, maar de hoofdpersoon, Frits van Egters. G.F.H. Raat wees daar al op in zijn opstel Twee maal het eerste hoofdstuk van De Avonden, verschenen in het literaire tijdschrift De Schans (april 1977). Hij vergeleek daarin de definitieve versie van het eerste hoofdstuk met de in Criterium (mei 1947, enkele maanden voor publicatie van de roman) verschenen versie van het hoofdstuk .

Raat stond stil bij 'een opvallende afwijking' van de personale vertelsituatie, namelijk die in de beroemde openingszin van de roman. Die verving niet alleen een Nesciaans relaas over het Hollandse winterlandschap ('De atmosfeer is vol bederf, als stilstaand water.') en deed daarmee recht aan Reves later vaak beleden adagium dat meteen het hoe, wie, wanneer en waar aan het begin van een verhaal duidelijk moeten zijn (vgl. bij voorbeeld Zelf schrijver worden), maar het is ook de enige zin waarin de lezer ondubbelzinnig wordt toegesproken door een alwetende verteller. 'Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters ontwaakte'. In de derde zin begint de aldus als een marionet geïntroduceerde held al te praten en het heft in eigen handen te nemen.

Over meer vergelijkingsmateriaal dan het eerste hoofdstuk beschikte Raat niet. Uit het manuscript blijkt nu, dat Reve het perspectief vooral in de eerste vier, vijf hoofdstukken heeft gecorrigeerd, en steeds consequenter van de ene versie op de andere. In de vroege versies van de latere hoofdstukken heeft hij zijn stijl gevonden en hanteert hij bijvoorbeeld van meet af aan de directe rede. Dus niet om een geparafraseerd voorbeeld te geven: Frits mopperde in zichzelf dat hij weer laat was opgestaan, maar: Frits mopperde in zichzelf: 'Ik ben weer laat opgestaan'. De directe stijl maakt het boek dramatischer: het landerige en het zeurderige, dat de verstikkende sfeer van het boek bepaalt en dat een belangrijke kwaliteit ervan is, komt zo veel beter tot zijn recht.

Reve wordt van versie op versie bondiger. Autobiografisch als het boek is, staat hij minder lang stil bij zijn hoogstpersoonlijke herinneringen. Dit is een belangrijke ontwikkeling, omdat Reve De Avonden daardoor op een hoger niveau tilt: het boek beschrijft niet alleen zijn eigen ervaringen maar die van iedereen, waardoor het wel 'de stem van een generatie' is genoemd. In de manuscriptversies zijn hele passages doorgestreept of van de ene versie op de andere verdwenen.

De belangrijkste wijzigingen beschrijft Jeffrey Bosch uitvoerig in zijn catalogus. Het betreft onder meer een passage over herinneringen van Frits aan zijn schooltijd, in hoofdstuk twee. Van dit hoofdstuk bestaan de meeste versies, inclusief het typoscript zes in totaal. Tot en met de vierde versie bevat het hoofdstuk uitgebreide portretten van leraren en een uitweiding over Frits' prestaties op school, die van jaar tot jaar minder worden.

Van de volgende passage uit de vierde versie zijn in de roman slechts verspreide brokstukken terug te vinden: '(-) Vervolgens sprak de onderdirecteur, een man met grijs haar, een zware bril en een doffe neusstem. Terwijl de vermoeide woorden voortmurmelden, zag Frits zichzelf in de klas, op de derde bank van achteren, bij het raam zitten en de onderdirecteur, die les gaf in Latijn, langzaam hinkend voortloopen over het podium, want hij had een reumatische aandoening aan het heupgewricht. Gewoonlijk maakten ze van tijd tot tijd zoemende geluiden. De man trok dan eerst een geërgerd gezicht, begon luider te doceren en hield af en toe op om de bron van het geraas te ontdekken, maar te vergeefs. Velen schoten opgerolde en daarna omgebogen stukjes papier met een elastiekje door het lokaal. Hij was daar eens op betrapt. Met een matte, verdrietige stem riep de leeraar: 'Van Egters, verlaat dit lokaal' (-)'.

Een andere uitvoerige passage is in het boek ingekort tot één alinea; de mededeling wordt er veel vager door, maar illustreert daardoor beter wat er met herinneringen gebeurt: slechts flarden blijven ons bij. Aanvankelijk (in de vierde versie) stond er: '(-)Hij de school verlaten en er nooit meer een voet gezet. Bij het begin van de nieuwe cursus had de directeur een briefje aan zijn vader geschreven, om te vernemen of het gerucht juist was, dat Frits niet meer de nieuwe cursus zou bezoeken en hij daarvan dan bevestiging wou sturen. 'Ze hadden niets geschreven' dacht Frits, 'eenvoudig er niet aan gedacht' (-).'

In het boek staat: '(-)'Het vierde jaar, het vierde' dacht hij, 'hoe was het? Hoe is het geweest? Is alles te begrijpen? Waarom is er toen niet een brief verzonden?' Hij sloot de ogen, die hij aldoor half dichtgeknepen had gehouden, geheel. De muziek bereikte een luid en snel gedeelte. 'Toch moet ik het nauwkeurig me kunnen herinneren en weten, waarom het zo was' zei hij bij zichzelf. 'Alles is te begrijpen, wanneer men er moeite toe doet.'

De inkorting en bij voorbeeld het nu vaaggebleven briefje zijn een illustratie geworden van een falend geheugen - wat een veel sterker effect heeft dan gedetailleerde herinneringen. Hij wil zich 'het' nauwkeurig herinneren, 'alles' begrijpen: precies wat iedere lezer wil met zijn eigen herinneringen. De passage is een uitnodiging tot inleving geworden in plaats van een afgerond geheel. De lezer wordt niet langer de pas afgesneden.

Behalve aan het begin heeft Reve veel gesleuteld aan de veel geprezen slotpassage. Er bestaan vier versies van die onderling niet zo heel erg verschillen. Het belangrijkste verschil treedt op van de derde naar de vierde versie. In de derde schrijft Reve nog: '(-)'Het is gezien' mompelde hij, strekte zich uit en viel in een diepe, droomloze slaap.' Die ene zin werd in het boek: '(-)'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.' Veel mooier, dat 'onopgemerkt' en de dramatische splitsing van de mededeling in twee zinnen.