Uitschietend geluid en een musicus die de 'vloer' bespeelt

Concert: Jan van de Putte, Un voor drie blokfluiten en piano. Uitgevoerd door Ensemble Ratatouille en Thom Janssen, piano. Gehoord 12/9 De Unie, Rotterdam.

“Als je niets ziet, worden geluiden ontzettend belangrijk. Zo ontstond het basisidee toen ik ooit in een huis woonde waar, als 's nachts het licht uitging, de torren begonnen rond te scharrelen.” Aldus Jan van de Putte in een toelichting bij de eerste acte van Un (1991-'96) voor drie blokfluiten en piano die donderdag zijn geconcentreerd uitgevoerde première beleefde bij de seizoensopening van zaal De Unie in Rotterdam.

Van de Putte speelt in zijn schimmig muziektheater met emoties zonder daarin expliciet te zijn. En àls hij dat al is, zoals in een dramatisch krijsen met gesloten mond op een “Un! Un! Un!”, werkt dat te gemakkelijk voor het oproepen van veel opwinding. Spannender zijn de zacht schurende en vreemd uitschietende geluiden. Er wordt dan ook in het programma een musicus opgevoerd (Michiel Jansen) die 'vloer' bespeelt. Ik heb, thuisgekomen, nog met de deurmat geëxperimenteerd, maar verkreeg veel minder spannende geluiden. Dit is dus óók een techniek.

Wonderen geschieden als het muziektheater opent met felle clusters in de piano, direct gevolgd door de blokfluiten in één kale f, dit alles vanuit een grote afstand. En het is vooral in deze 'utopische verte' waarin Van de Putte weet te overtuigen. Goethe zou zeggen: “Wenn sich die ewige Harmonie mit sichselbst unterhält.” Ook als de piano later dezelfde toon heel zacht beroert, ontstaat het mysterie en het is tussen tedere melancholie en neurotisch raspende consternatie dat zich Van de Putte's theater afspeelt.

Bij zijn eerste mini-opera Om mij... - waarvan residuen zoals een pauk, bellen en knikkers nog getuigden - was men slechts eenmaal in het donker gehuld. Nu overheerste dit nachtelijke aspect, wat mij een zwaktebod leek. Want de kracht van zijn eerste opera school vooral in de gestolde gestiek en nu bleef er van de wederom verzelfstandigde speelhandelingen, waar men immers lange tijd slechts staarde naar een blauw belicht gazen doek waar de musici zich achter bevonden, weinig over.

Opmerkelijk vond ik dan ook dat daar waar de belichting meer zicht op de musici toeliet, het werk opeens aan kracht begon te winnen. Zoals aan het slot waarin de drie blokfluitisten vanaf de zijkant langzaam naar het midden toe opkomen met een muziek als in een Franse ouverture, in een steeds dwingender ritme, verscherpt aangezet door hoog geplaatste sekundes in de piano.

Paul van Emmerik biedt in zijn dissertatie die hij op 23 september in Utrecht hoopt te verdedigen de stelling aan: “Elke poging om John Cage te legitimeren door inlijving in de canonieke muziekgeschiedenis van na de Tweede Wereldoorlog, is onjuist.”

Cage stelde de hoofdstroming, het serialisme, ter discussie. Maar dat doen ook figuren als Kagel, Scelsi en Van de Putte, door middel van een vergaand onttakelingsproces. Alle vier tenderen zij onherroepelijk naar theater. Niet als een toevoeging bij, maar als een consequentie van de gegeven tonen en geruisen. Een wonder is, dat die ontbinding nog niet hoeft te betekenen dat elke samenhang ontbreekt. Maar donderdag waren er toch te veel passages waarin, zoals Matthijs Vermeulen dat eens stelde, door een wonderbaarlijk lek getroffen de spanning verliep.

Maar misschien moet ik mijn mening herzien bij een tweede confrontatie, en dat kan al mogelijk zijn op een Rotterdams festival waar in de periode van 12 tot en met 16 november Van de Putte's gehele muziektheateroeuvre aan de orde wordt gesteld. De eerste vier manifestaties vinden plaats in De Unie, het slotconcert door het Radio Kamer Orkest wordt gegeven in de Paradijskerk op de Nieuwe Binnenweg.