Tillmanns passie voor Indonesische kunst

Het Tropenmuseum in Amsterdam toont op een expositie weefsels uit de vermaarde verzameling Indonesische etnografica van Georg Tillmann. De collectie is door zijn nazaten geschonken aan het museum. “Zo had hij het gewild.”

Gewoven documenten, Tropenmuseum, Amsterdam. T/m 9/10, dag. 10-17u, za en zo 12-17u. Inl. 020-5688295. A Passion for Indonesian Art, Koos van Brakel, David van Duuren, Itie van Hout. Uitg.: Kon. Instituut voor de Tropen. ISBN 90-6932-261-3

AMSTERDAM, 13 SEPT. “Papa's last joy”, zegt Charlotte Tillmann (82) terwijl ze bewonderend langs de geweven doeken loopt die de expositie Gewoven documenten vormen. Ooit had haar schoonvader ze in handen, nu hangen ze in het Tropenmuseum in Amsterdam. De expositie, die tot en met 9 oktober duurt, laat een keur zien aan katoenen en zijden sarongs en ceremoniële doeken, die werden gebruikt bij religieuze rituelen, geboorte, huwelijk, of dood. De meeste patronen zijn met oneindig geduld ingewoven en soms gedecoreerd met duizenden kleine, gekleurde kraaltjes.

“Mijn schoonvader was intensief met die doeken bezig”, herinnert Charlotte Tillmann zich. “Hij restaureerde ze ook zelf. Ik zie nog die grote man, die met zo'n minuscule naald in de weer was om zo'n weefsel te repareren.”

De weefsels maken deel uit van de collectie Indonesische etnografica van de Georg Tillman (1882-1941), een joodse bankier uit Hamburg die in 1932 nazi-Duitsland ontvluchtte en zich in Amsterdam vestigde. Tillmann verzamelde in totaal ongeveer 670 doeken, uit Indonesië, maar soms ook uit andere delen van de wereld. De meeste dateren van de tweede helft van de 19de tot het begin van de 20ste eeuw. Tillmann was gefascineerd door hun kleuren en de raadselachtige motieven. Hij probeerde de betekenis ervan te doorgronden en zag overeenkomsten met patronen die in andere culturen voorkwamen.

Naar nu pas bekend werd, is het Tropenmuseum twee jaar geleden eigenaar geworden van de gehele Tillmann-collectie, die het daarvoor al vijftig jaar in bruikleen had. De schenking is gedaan door Georg Tillmanns zoon en schoondochter, de arts dr. Wolf Tillmann en zijn vrouw Charlotte. Zij werden hiervoor door koningin Beatrix onderscheiden met de museummedaille. Op hun verzoek is aan de schenking tot nu toe geen ruchtbaarheid gegeven. Wolf Tillmann is kort nadat hij de officiële overdracht had getekend, op 84-jarige leeftijd overleden.

In verband met de schenking heeft het museum recent het boekje A Passion for Indonesian Art doen verschijnen, met uitgebreide informatie over Tillmann en zijn collectie. De totale Tillmann-collectie in het Tropenmuseum omvat ruim 2000 objecten. Daaronder bevinden zich sculpturen, krissen, krishouders, maskers en wajangpoppen. De meeste zijn van zeer hoge kwaliteit en er zitten zeldzame en soms unieke exemplaren tussen. Ook hier ligt de nadruk op Indonesië, maar ook zijn er voorwerpen bij uit India, Nieuw-Zeeland, Afrikaanse landen en Zuid-Amerika. Een deel wordt permanent tentoongesteld in het Tropenmuseum. Het kwetsbare textiel wordt alleen af en toe uit de depots gehaald, zoals nu voor de tijdelijke expositie.

Al voor de oorlog werd het belang van de collectie erkend. Delen ervan waren te zien op exposities in het Stedelijk Museum in Amsterdam (1936), het Haags Gemeentemuseum (1938) en het Volkenkundig Museum in Rotterdam (1938). Nu maakt hij twee procent uit van de gehele collectie van het Tropenmuseum en vijf procent van de Indonesische collectie.

“Mijn schoonvader leerde verzamelen van zijn moeder, een erudiete vrouw die onder anderen met de psychiater Carl Jung correspondeerde,” vertelt Charlotte Tillmann. “Hij begon met postzegels, maar legde later een beroemd geworden collectie porselein uit Meissen en Wenen aan.”

Toen de nazi's het leven van de joodse inwoners steeds moeilijker maakten, besloot Georg Tillmann Duitsland te verlaten. Hij kocht een huis aan de Prinsengracht in Amsterdam en ging daar in 1932 met zijn gezin wonen. Hij leerde in snel tempo Nederlands en nam de Nederlandse nationaliteit aan. Inmiddels was ook Charlotte in het gezin opgenomen. Zij was niet-joods, maar vluchtte toen ook haar leven in Duitsland in gevaar kwam, omdat ze zich niet kon conformeren aan het nazi-regime.

“Mijn schoonvader voelde zich thuis in Amsterdam, maar hij was in het begin ongelukkig en bezorgd omdat hij besefte dat de wereld op een oorlog afstevende. Mijn schoonmoeder kwam op een gegeven moment aan met een paar Indische krissen die ze om de hoek bij een uitdragerij had gekocht. Die fascineerden hem en zo raakte hij geïnteresseerd in Indonesische kunst,” aldus Charlotte Tillmann.

De krissen waren het startsein voor een nieuwe verzameling. Tussen 1932 en 1939 legde Tillmann de collectie aan die nu in bezit is van het Tropenmuseum. Hij kocht op veilingen, galeries en via een speciale agent in Nederlands Indië en liet zich adviseren door medewerkers van het Koloniaal Museum, zoals het Tropenmuseum toen heette.

Tillmann bewonderde de Indonesische kunstvoorwerpen om hun schoonheid. Hij verzamelde wat hij mooi vond, maar was vooral ook in de culturele context geïnteresseerd. Hij nummerde de voorwerpen en hield op kleine kaartjes een zorgvuldige documentatie bij. Tevens maakte hij studie van de door hem gekochte objecten en publiceerde zijn bevindingen in vakbladen. Sommige van zijn theorieën zijn door de moderne wetenschap achterhaald, maar vaak had hij het bij het rechte eind. Zo vond hij als een der eersten een verklaring voor de afbeeldingen van 'dodenschepen' op weefsels en ontdekte hij dat bepaalde gestileerde patronen afgeleid waren van dierenfiguren.

Tillmann heeft de gebieden die hem zo boeiden nooit kunnen bezoeken. “Hij is dat wel van plan geweest, maar de politieke ontwikkelingen maakten dat onmogelijk”, zegt zijn schoondochter. “Hij vertrok in 1939 naar Engeland, en vandaar naar de Verenigde Staten. Kort na zijn aankomst bleek dat hij kanker had en hij overleed in 1941.”

Voor de oorlog had Tillmann al vijftig, meest Javaanse, gouden sieraden van de 5de tot de 15de eeuw aan het museum geschonken. Voor zijn vertrek liet er hij zijn collectie Indische voorwerpen in bewaring achter. Het kostte hem moeite afstand te doen van zijn collectie, schreef hij: “Ik mis hem, ik hoop hem in beter dagen terug te zien.”

De Duitsers hebben er tijdens de oorlog naar gezocht, maar niets gevonden. De medewerkers van het museum hadden de Tillmann-stukken onopvallend tussen de tienduizenden andere voorwerpen in het depot verspreid en niet als zodanig geregistreerd. Ook de porselein-collectie heeft de oorlog overleefd, maar is daarna verspreid. Een deel is in het Victoria & Albert Museum in Londen terechtgekomen. Enkele stuks zijn in familiebezit gebleven.

Na de oorlog ging Tillmanns in Engeland wonende zoon Wolf naar het Tropenmuseum om de toekomst van de collectie te bespreken. “Mijn man trof daar een verzwakte, apathische staf,” vertelt Charlotte Tillmann. “Ze reageerden heel lauw. Het waren de mensen die hij voor de oorlog had gekend als enthousiaste, jonge museummedewerkers. Hij schrok daar zo van dat hij de kwestie verder niet aan de orde heeft gesteld. Hij was té bezorgd over hun gezondheid. We waren blij toen jaren later toch die schenking tot stand kwam. Mijn schoonvader heeft gelukkige dagen in Amsterdam doorgebracht en het Tropenmuseum heeft vijftig jaar lang uitstekend voor de collectie gezorgd. Daarom was het voor ons altijd duidelijk dat hij hier moest blijven. Dit is wat papa zou hebben gewild.”