Studenten veel katholieker dan ze zelf denken

Het katholieke onderwijs in Nederland dat, voorzover het om het basis- en het voortgezet onderwijs gaat, circa dertig procent van alle leerplichtige kinderen binnen zijn muren heeft, moet “een nieuw elan en een nieuwe vitaliteit” krijgen.

Dat zei kardinaal Simonis, het hoofd van het Nederlandse episcopaat, vorige week in Utrecht. Hij sprak bij de presentatie van een bisschoppelijke brief waarin katholiek Nederland ertoe wordt opgeroepen om zich twee jaar lang met een consultatie bezig te houden over een koersbepaling voor het behoud van het katholiek onderwijs. De kardinaal liet zich heel gematigd uit. Geen beschuldigende woorden aan het adres van het paarse kabinet, al kon hij niet nalaten vast te stellen dat de 'veralgemeniseringstendens van de huidige regering' het bijzonder onderwijs wel zeer in het gevaar brengt. Waarschijnlijk duidde de prelaat op het gegeven dat het katholieke aandeel in het totale onderwijsaanbod in de afgelopen jaren met ongeveer tien procent zou zijn teruggelopen.

Heel anders ligt het bij katholieke universitair onderwijs. Nijmegen, naast Tilburg en Utrecht een van de drie rooms-katholieke universitaire instellingen in het land, heeft met meer dan 14.500 ingeschrevenen meer studenten dan ooit. Ook heeft de Katholieke universiteit Nijmegen tegenwoordig ruim vierduizend medewerkers en als men het personeel van het Academisch Ziekenhuis St. Radboud meetelt, zelfs meer dan achtduizend personeelsleden.

Het gaat goed met de KUN, zeggen de filosoof Paul Sars (36) en de theoloog Huub ter Haar (35). Ze zijn allebei nauw betrokken bij de uitstippeling van het strategisch beleid (1995-2000) van hun universiteit en bij de bepaling van de 'meerwaarde die zij op grond van haar levensbeschouwelijke identiteit kan bieden'. “Toen ik hier vijftien jaar geleden theologie ging studeren, geloofde men in Nijmegen meer in Marx dan in God”, zegt Ter Haar, die nu een bureau heeft dat onderzoek doet naar de katholieke identiteit van instellingen als de Nijmeegse universiteit, de KRO of de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB) eigenlijk inhoudt of nog voorstelt.

Over de 'k' van katholiek kan weer gesproken worden, zeggen Sars en Ter Haar. Driekwart van de studenten komt volgens hen uit van oudsher katholieke gezinnen, vooral in het zuiden en oosten van het land. Voor de vraag naar de identiteit en de identiteitsbeleving hebben zij een uitvoerige consultatiemethode ontworpen, “want wie als organisatie vitaal en succesvol wil zijn, moet toch een antwoord kunnen geven op de simpele vraag naar 'Wie zijn wij?' ”, zoals in iets andere bewoordingen ook de vraag van kardinaal Simonis is waar het om het katholieke basis- en voortgezet onderwijs gaat.

Toen de universiteit van Nijmegen, waar in de jaren '60 eerder dan waar ook de revolutionaire haan begon te kraaien, sterk geradicaliseerd raakte, kon over haar katholieke identiteit nauwelijks meer worden gesproken. Jarenlang was dat een 'kwestie' die je maar beter kon laten rusten, zegt Sars, want de blokkades en clichés over dit onderwerp verhinderden veelal een constructief gesprek. Nu gaat het wel weer. Niet omdat de universiteit ontideologiseerd is geraakt, maar ook door de gespreksmethode 'Identiteit en imago' die Sars vorig jaar heeft geïntroduceerd. Nu is er volgens hem sprake van een nieuwe samenhang en een hernieuwde betrokkenheid van jonge medewerkers en studenten bij het identiteitsbeleid van de KUN. Zelfs is het volgens hem zo dat studenten en medewerkers tot de ontdekking komen dat ze 'veel katholieker' zijn dan ze zelf dachten.

Identiteit is volgens Sars en Ter Haar niet wat onderscheidend is, maar wat mensen met elkaar verbindt. De identiteit van de Katholieke Universiteit Nijmegen zou naar hun opvatting bestaan uit een 'waaier van samenhangende verschillen'. Dan gaat het naar zij zeggen niet om de signatuur van de universiteit naar kerkelijke voorschriften, maar wordt de identiteit bepaald door wat mensen ieder voor zich en gezamenlijk aan elkaar en aan hun universiteit beleven. “Je moet niet vergeten”, zegt Ter Haar, “dat de nieuwe generatie aan de universiteit helemaal niet behept is met gevoelens over wat er aan tradities verloren is gegaan, maar blij constateert dat zij nu zo veel hebben.”