Stilte

In de groentewinkel is één vrouw voor mij aan de beurt. Het kan me niet schelen wat ze hebben wil en toch zal ik direct horen wat ze koopt. Zo dicht sta ik bij haar.

Ze zegt niets en geeft een papiertje aan de groenteman. Hij begint het te lezen en maakt de bestelling voor haar klaar. Een pond appelen, een krop sla en nog een paar dingen. De vrouw lijkt wel een meisje dat een boodschappenbriefje van haar moeder heeft gekregen. Maar ze is al over de veertig en dan weet je zelf wel wat je nodig hebt.

De groenteman doet alles in een plastic tas, rekent met haar af en dan loopt ze de winkel uit. Geen van tweeën hebben een woord gezegd.

Nu ben ik aan de beurt. De groenteman kijkt me hoopvol aan.

“Is die vrouw soms doofstom?”, vraag ik.

“Nee”, antwoordt hij. “Het zit anders in elkaar.”

Hij tuurt naar buiten om er zeker van te zijn dat ze hem niet kan horen. Dan vertelt hij dat ze een halfjaar in deze buurt woont. Eerst praatte ze zoals iedere klant tegen hem. Toen zij weer eens binnenkwam zei ze dat ze er een paar dagen in de week mee wilde ophouden. Waarmee dan wel, vroeg hij beleefd. Het praten was het antwoord.

“Dus ze zegt niets meer?”

“Op maandag, woensdag en vrijdag zwijgt ze.”

Het kwam er op neer dat de vrouw vond dat ze in haar hele leven genoeg had gepraat. Ze had er geen zin meer in elke dag ongeveer hetzelfde te moeten zeggen. Het hoognodige schreef ze op een briefje.

“Morgen zegt ze weer een krop sla of een kilo aardappelen?”

“Alsof er niets aan de hand is.”

De groenteman was goed op de hoogte. Hij zei dat ze op de stille dagen ook thuis alleen als het werkelijk moest een briefje van een paar woorden schreef. Dan wist haar man waar ze heen ging of wat ze van plan was.

“Een pond spinazie”, zei ik en dat woord klonk op de stille vrijdag van de vrouw ineens zo hard dat ik het misschien beter had kunnen opschrijven.