Sociaal en Cultureel Rapport 1996 somber over verloedering, verarming en werkloosheid van de grote steden; 'Binnenstad startmotor nationale economie'

Het Sociaal en Cultureel Rapport 1996 is somber over de toekomst van de grote steden. Ze verloederen en er is veel werkloosheid. Twee verantwoordelijke wethouders, Van der Aaa (Amsterdam) en Simons (Rotterdam), vechten daar tegen. Amsterdam zet inwoners aan het werk via Melkertbanen en de Banenpool. Rotterdam neemt grote financiële risico's om de binnenstad te vernieuwen.

AMSTERDAM, 12 SEPT. In het Amsterdamse stadhuis zit een echte sociaal-democraat. De samenleving is niet meer zo maakbaar als ooit is gedacht, geeft wethouder J. van der Aa (PvdA) toe, maar valt heel goed te sturen. Hij is verantwoordelijk voor bijna alle grootstedelijke zaken waar het Sociaal en Cultureel Rapport over sombert: werk, minderheden, sociale zaken.

Aan de problematische situatie in de grote steden mag dan “een bijna onontwarbare knoop van oorzaken” ten grondslag liggen, volgens Van der Aa “komt de gedachte dat de problemen onoplosbaar zouden zijn voort uit het geweldige ongeduld in deze tijd. Er zijn eeuwenlang golven van werkloosheid en armoede geweest. Dat die nu zijn verdwenen, toont aan dat beleid werkt. Maar niet in twee of in vier jaar. Kijk maar naar het platteland, daar was aan het begin van de eeuw sprake van grote armoede. Na de oorlog is daar met gericht beleid wat aan gedaan.”

Waaraan zijn de problemen in de steden te wijten? “Een van de oorzaken van de verloedering van de binnensteden, is dat de stad sinds de jaren zestig niet meer mocht meegroeien met haar ontwikkeling. Elke grote stad ziet de rijke inwoners van binnen naar buiten trekken. Het gat in de binnensteden wordt opgevuld door armere bewoners en degenen die nog aan het begin van hun carrière staan. Vroeger annexeerde de stad de voorsteden gewoon en zo behield ze de rijkere groepen.”

En wat kan een bestuurder nu doen?

“Je hoeft niet te proberen alle werkgelegenheid binnen de stad te houden. De stad heeft een vernieuwende invloed op de omgeving, die daardoor groeit. Amsterdam en Rotterdam zijn dan niet meer de motoren van de nationale economie, de regio's eromheen zijn dat nog wel. De binnensteden, met hun universiteiten en hoog-opgeleide werknemers, zijn de startmotoren van de nationale economie geworden. Veel bedrijven beginnen daar, ontplooien zich en trekken weg, op zoek naar ruimte. Ik geloof dat jaarlijks 60.000 bedrijven uit de Randstad naar een ander deel van het land verhuisden. Onze afdeling economische zaken heeft mij wel eens voorgehouden dat als Amsterdam tien procent van die wegtrekkende bedrijvigheid zou kunnen behouden, de werkloosheid in een paar jaar numeriek zou zijn opgelost. Numeriek ja, want een groot deel van de werkloosheid bestaat uit mensen die voor zulke bedrijven toch niet interessant zijn.”

Kan je die afschrijven met een uitkering?

“Daar ben ik dus faliekant tegen. Die moeten wij laten werken via Melkertbanen en de Banenpool. Niet dat je daarmee werkgelegenheid creëert, maar je geeft die mensen een inkomen waar ze trots op kunnen zijn. Wij hebben nu 2.000 Melkertbanen ingevuld.”

Als u zo optimistisch bent gestemd, hoe kan het rapport dan zo somber klinken?

“Omdat de schrijvers zich niet met de oplossing bezig hebben gehouden, maar met de analyse. En die is somber.”

Een van de 'oplossingen' is de kansenzone, een gebied waar de overheid wat minder strikt de regels zou toepassen, opdat een beginner makkelijker een bedrijfje kan opzetten. Waar blijft die zone in Amsterdam?

“Dat weet ik nog steeds niet.”