Rondom de schuine lijn

Carel Blotkamp (red.): De vervolgjaren van De Stijl. 1922-1932. L.J. Veen, 400 blz., ƒ 89,90

'En altijd gaat het verder' staat er naast een schema met 'Principieele medewerkers' in het jubileumnummer van De Stijl uit 1928. Ondanks dit optimisme was het met De Stijl toen praktisch afgelopen: na een nummer over de inrichting van het uitgaanscentrum de Aubette in Straatsburg volgde in 1932 alleen nog een herdenkingsnummer bij de dood van Theo van Doesburg. Wat wel verder ging, was de stroom publicaties over Stijl-medewerkers, die vooral de laatste vijftien jaar sterk is toegenomen. Het leek daarom logisch dat op het boek De beginjaren van De Stijl 1917-1922 dat in 1982 verscheen, een vervolg zou komen. De nieuwe bundel De vervolgjaren van De Stijl 1922-1932 roept echter de vraag op in hoeverre dit boek nog in een lacune voorziet.

Het boek over 'de beginjaren' was pionierswerk. Het bracht veel nieuw, interessant feitenmateriaal aan het licht. Niet alleen de auteurs van De Beginjaren, maar ook anderen zetten daarna het onderzoek voort en publiceerden daarover. Vooral de overdracht van het Van Doesburg-archief in 1981 aan de Rijksdienst Beeldende Kunst leverde diverse publicaties op over deze kunstenaar.

In grote lijnen zijn de feiten over De Stijl inmiddels wel bekend. Tot 1922 vormde De Stijl een min of meer hechte groep. Behalve Van Doesburg, de oprichter en enige redacteur van het tijdschrift, behoorden Piet Mondriaan en de architect J.J.P. Oud tot de vaste medewerkers van het eerste uur. Begin 1922 haakte Oud af na onenigheid met de beide anderen. De problemen gingen vooral over de integratie schilderkunst-architectuur. Wie had het primaat: de architect of de schilder? In het allereerste begin was de schilder Bart van der Leck al om die reden opgestapt.

Daarmee is het lijstje afzeggers nog niet compleet. Ook de architecten Robert van 't Hoff en Jan Wils verlieten al snel de gelederen, gevolgd door de kunstenaars Vilmos Huszár en Georges Vantongerloo. Tenslotte kreeg ook Mondriaan het in 1925 aan de stok met Van Doesburg. Alleen Gerrit Rietveld bleef van 1919 tot 1927 betrokken bij het tijdschrift. Hij bemoeide zich niet met de onderlinge ruzies en ging in de loop van de jaren twintig steeds meer zijn eigen weg.

Vanaf 1920 verblijft Van Doesburg als een missionaris/avonturier vrijwel permanent in het buitenland om de boodschap van De Stijl te verkondigen. Zijn streven is gericht op het uitroepen van de 'internationale van het kwadraat', zo vertrouwt hij de Russische kunstenaar Lissitzky toe. In Duitsland is zijn belangrijkste doelwit het Bauhaus. Door het organiseren van een alternatieve cursus, probeert hij zijn benoeming tot docent te forceren. Tevergeefs, want zijn agressieve optreden bezorgt hem voornamelijk vijanden. Zijn vrouw die in Nederland is achtergebleven, maant 'Does' in een brief tot kalmte: “Kan een blond hondje niet een beetje 'beminnelijk' zijn?”

Behalve in Duitsland en verder oostwaarts probeert Van Doesburg ook in België en Frankrijk voet aan de grond te krijgen. In 1923 gaat hij in Parijs wonen, waar hij zich met de jonge architect Cornelis van Eesteren in een nieuw avontuur stort, de voorbereiding van een architectuur-tentoonstelling in de galerie van Léonce Rosenberg. In De vervolgjaren zijn de hoofdstukken over deze internationale contacten en over Van Eesteren het interessantst. Verder zijn aparte hoofdstukken gewijd aan drie oorspronkelijke deelnemers: Van Doesburg, Mondriaan en Rietveld, en aan een andere nieuwkomer, de schilder Cesar Domela. Twee verhalen over dissidente kunstenaars en architecten nemen ruim een kwart van het boek in beslag.

De beginjaren oogstte behalve veel lof ook kritiek. Deze richtte zich vooral op de traditioneel-kunsthistorische opzet van het boek en het gebrek aan visie op de sociaal-culturele context. Het antwoord van Carel Blotkamp in de inleiding van De vervolgjaren klinkt wat defensief: “Enerzijds wilden we (...) de continuïteit en consistentie niet verstoren, anderzijds menen we dat het soort detailonderzoek dat we hebben verricht de noodzakelijke basis vormt voor elke verdergaande interpretatie, inclusief de kritische herbezinning op de modernistische traditie.”

Waar stond De Stijl eigenlijk voor? Was het een tijdschrift, een groep of een idee? Meestal lopen die verschillende opvattingen in elkaar over. Het idee is volgens de Franse kunsthistoricus Yves-Alain Bois het duidelijkste uitgangspunt. Kort samengevat moesten schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur terugkeren tot de essentie, tot een soort universele beeldtaal, met als uiteindelijk doel de integratie van kunst en leven. Blotkamp onderschrijft deze definitie, maar stelt dat de werkelijkheid diffuser was. Men hield zich naarmate de tijd vorderde minder strikt of helemaal niet meer aan deze voornamelijk door Mondriaan geformuleerde opvatting. Blotkamp ziet De Stijl dan ook als 'een cluster van ideeën'.

Blotkamps opvatting schept niet alleen ruimte, maar ook de nodige verwarring. Alleen al Van Doesburg is met zijn dadaïstische alter-ego's I.K. Bonset en Aldo Camini een vat vol tegenstrijdigheden. Bovendien is er bij de auteurs van het boek soms ook sprake van een 'cluster' van tegengestelde meningen. Een voorbeeld: waarover ruzieden Mondriaan en Van Doesburg nu eigenlijk in 1924-1925? Van Straaten toont aan dat het niet om het gebruik van de schuine lijn ging zoals lange tijd werd aangenomen of om een andere artistieke controverse, maar dat een incompatibilité d'humeur de oorzaak was. In het hoofdstuk over Mondriaan sluit Els Hoek de diagonaal ook uit, maar meent dat een “diepgaand meningsverschil over de aard van de werkelijkheid” de aanleiding tot de verwijdering was. Blotkamp en Cees Hilhorst schrijven dat een discussie over het tè statische karakter van het neo-plasticisme van Mondriaan uiteindelijk leidde tot het vertrek van de laatste. De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden.

De nieuwe feiten in De Vervolgjaren completeren het bestaande beeld van De Stijl, maar leiden niet tot ingrijpende veranderingen. Het gebrek aan een samenbindende visie is daardoor des te teleurstellender.