Roman van Willem Melchior; Levend doo]d zijn of misschien andersom

Willem Melchior: Kasper Valentijn. Atlas, 255 blz., ƒ 34,90.

Of hij dood wil, is de vraag, en het blijft even stil. 'Nee', zegt Kasper Valentijn, een beetje aarzelend, en hij verbergt zijn mond achter zijn whiskey, want we zijn hier in een bar. 'Nee, ik wil gedood worden.'

Je kijkt er niet eens meer van op, halverwege Kasper Valentijn, het zat er domweg aan te komen. In het eerste hoofdstuk al, de jongen is pas zes of zeven, speelt hij bij zijn vriendjes thuis de rol van slachtoffer. Een cowboy jaagt een kogel in zijn rug, een Indiaan mikt op het hart, hij wordt nog net gered maar zinkt ten slotte toch van uitputting ineen. Genieten vindt hij dat, vooral het einde mag van hem nog best een keer over, en daar stuurt hij het sindsdien met grote ernst op aan. Als puber fantaseert hij hoe de jongens van zijn klas hem pijnigen en penetreren tot hij buiten kennis raakt, of hoe een jongen op hem toeloopt en een lemmet in zijn buik schuift, zomaar, en dan lacht bij zijn verslagenheid. Hij weet het zeker, dat is wat hij wil. Gedood worden in geilheid.

Wat is dat voor verlangen? Het zal niet voor niets zijn dat de namen Kaspar Valentijn en Willem Melchior zo elegant dezelfde klankmaat volgen. Dit is de roman van een schrijver die zijn hoogstpersoonlijke obsessie neerzet, zoveel is wel duidelijk. Maar hoe uitvoerig hij die ook beschrijft, verklaren doet hij niets - zomin als hij dat eerder deed in zijn debuut, De roeping van het vlees, dat ook al was vergeven van gekneusde en gespiesde jongens. Verklaren, bij Melchior, is aan de lezer.

Dat heeft me danig aan het werk gezet, moet ik bekennen. Het gaat hier over doodsdrift, Thanatos, dat leek me nogal duidelijk, op het opzichtige af. Maar het begon me op te vallen dat ik geen flauw idee had wat ik zei als ik dat zei. Een jongeman wil van het leven af, maar niet omdat hij nu zo hartverscheurend aan dat leven lijdt. Hij zoekt de dood, maar niet omdat hij na die dood nu zo iets moois verwacht. Wat hij zou willen, is het voelen van de dood, het doodgaan dus meer, maar om dat te voelen zal hij moeten leven. Hij wil op de een of andere manier dus levend dood zijn, of misschien wel andersom, en dat door tussenkomst van iemand die hem overweldigt maar die daarmee juist gehoorzaamt aan zijn regie. Er is niet uit te komen.

Op zoek naar een beetje houvast in de wetenschap, als het dat is, heb ik er Freuds 'Aan gene zijde van het lustprincipe' op nageslagen, voor zover ik weet nog steeds een van de weinige pogingen om orde aan te brengen in de warboel van het 'doodsinstinct', zoals hij het noemt. Dat blijkt leerzame lectuur - maar op een andere manier dan ik verwacht had. Na een duizelingwekkende stroom gedachten stapt de oude meester uit zijn rol en komt met een bekentenis. Of hij zijn eigen woorden echt gelooft, helaas, dat weet hij niet. Instincten zijn ongrijpbaar, want ze zijn de prehistorie van de geest. Ze gaan vooraf aan het bewustzijn en laten zich daarom alleen verwoorden in een vorm van 'mythologie'. Een vorm van literatuur dus, niet van wetenschap.

Voor een boek als Kasper Valentijn, met andere woorden, komt alles aan op de literaire suggestie, het vermogen van de taal te laten voelen wat niet is te zien. Daar heeft Melchior duidelijk ook over nagedacht. Hij geeft zijn held een alledaagsheid mee die op zijn minst verrassend is, bij een buitenissig thema als het zijne. Valentijn gaat met vakantie. Valentijn zet koffie. Af en toe wordt het zelfs uitgesproken saai. Maar gek genoeg is het uiteindelijk juist die banaliteit die de roman aannemelijk maakt. Dit is geen pose en geen sprookje, dit is echt. De doodsdrift laait tot in de huiskamer.

Daarbij laat Melchior een niet gering talent voor uit de rots gehouwen volzinnen zien. Een halve bladzijde of meer, slalommend van komma naar komma, hij draait er zijn hand niet voor om. Dat geeft je ook in saaie passages nog de indruk dat hij heel precies weet wat hij doet, dat er een reden is voor wat hij doet. Je blijft hem volgen. Als een klok die de seconden aftelt, tikken de zinnen weg, bedaard, beheerst, en langzaam krijgen ze daarmee de doffe regelmaat van het onontkoombare. In alle redelijkheid bewegen we ons in de richting van - ja, wat? Iets onvoorstelbaar redeloos, dat moet wel.

In die sfeer, moet ik zeggen, krijg je inderdaad enig gevoel voor Valentijns drijfveren. Zo ging mij een licht op bij een scène waarin hij piekert over werk en geld en toekomst, maar ineens weer opklaart als zijn lust 'ontwaakt'. Geen vuil meer aan de lucht, op slag. De lust bevrijdt hem blijkbaar uit de last van zijn gedachten, die anders zinloos blijven malen. De lust is zijn remedie tegen het bestaan, zijn drug, zijn hemel. Hij stapt binnen in een schemerwereld waar hij alles los kan laten door alleen nog een lichaam te zijn, een kreunend, zwetend ding dat niets meer weet. Hij legt zijn geest af en daarmee, denk ik, al bijna zijn leven.

Maar bijna, dat is nog geen fullblown doodsdrift. Dat hij ook die laatste stap wil nemen, heeft misschien te maken met iets eigenaardigs aan die lust van hem. Al sinds zijn kindertijd kent hij geen groter liefde dan de spiegel. Hij bekijkt zijn buik en borst en tepels, al dat heerlijks dat voor anderen onder zijn trui verborgen blijft. Hij trekt zich af, verzaligd, bij de fantasie dat hij zichzelf zou kunnen neuken. Als hij een minnaar heeft, besluit hij steevast dat die op hem lijkt, een tweelingbroertje haast, en als het over liefde gaat, bekent hij dat hij zich daar niets bij voorstelt. Liefde?

Waar dat op den duur toe leidt laat Melchior voelen met een even simpele als effectieve truc. Hij noemt de jongen één keer bij naam, in de eerste zin, en houdt het daarna consequent bij hij en hem. In scènes waar een tweede hij in optreedt, twijfel je daardoor soms wie er wordt bedoeld, terwijl het eigenlijk toch niet kan missen. Hij, natuurlijk. Buiten hem bestaat er niemand. Zijn narcisme houdt de wereld achter glas, blijkt gaandeweg. Hij is zijn eigen gevangenis en dat kon wel eens zijn waarom hij zich zo graag en willoos aan anderen wil overleveren. Hij kan zichzelf niet meer bevrijden uit zijn glazen huis, hij moet worden ontzet. Hij moet aan scherven.

Ik sluit niet uit dat die verklaring naar de smaak van Melchior wel erg braaf-humanistisch is. De medemens als redding uit de perversie, het heeft iets broekafzakkend slaps bij het geweld dat hij ontketent. Maar het maakt tenminste iets navoelbaar van de hoogspanning waar Valentijn in leeft. Hoe mooier hij zichzelf vindt, hoe lelijker hij worden moet. Verheffing en vernedering gaan hand in hand, tot hij zichzelf van pure eigenliefde eigenlijk alleen nog maar kan laten ombrengen. 'Het komt een keer', belooft hij de spiegel. 'Ik hou van je.'

Zo stuitert het in Kasper Valentijn ten slotte van de paradoxen. Valentijns verlangen is meteen zijn diepste angst, zo verstandig is hij ook wel weer, dus zijn gevoelens komen allemaal per twee. Hij 'knarsetandt van vreugde' en 'grijnst van machteloze woede'. De gedachte aan de martelingen die hij ondergaan zal, doet hem glimlachen, de fantasie van messen in zijn buik vervult hem daarentegen weer met 'onbegrip'. Het resultaat is een ware implosie van gevoelens. Alle grote woorden van de wereld komen in hem samen en versmelten. Schoonheid wordt een marteling en marteling wordt schoon. Verrukking wordt verbijstering en andersom. Dood wordt leven, leven dood.

Uit: Willem Melchior, Kasper Valentijn

Ook de slagen die volgden, overrompelden hem voor hij zelfs maar een kreet had kunnen slaken: de een na de ander klapten ze hem van links met de palm en dan, in één beweging terug, van rechts met de rug van de hand in zijn gezicht tot zijn wangen gloeiden; zijn jukbeenderen schrijnden, net als zijn neus, waarop de knokkels nu en dan afketsten, en in zijn oren begon het met scherpe fluittonen te suizen. Vergeefs weerde hij af: Mario trok zijn handen bij de polsen weg zodra hij ze voor zijn ogen sloeg, prikte er, wanneer dat niet lukte, met de sigaret in tot hij ze zelf wegtrok en schoof, toen hij zich omdraaide, zijn trui en zijn shirts omhoog om hem de sigaret in zijn rug te steken; nu kreette hij alsnog, kort en scherp als de pijn waarmee de brandende tabak zijn huid een paar keer vluchtig schroeide. Verdwaasd liet hij zich bij zijn schouder grijpen, terugdraaien en, ook verblind door zwarte vlekken die zich tot een waas aaneensloten, slaan tot Mario ten slotte achteruitstapte.

'Zullen we...' zei hij met verstikte stem, 'zullen we nu koffiedrinken?'