Radicaal materialisme als verklaring van de geest

Paul M. Churchland, The Engine of Reason, the Seat of the Soul, The MIT Press, 329 blz., ƒ 40,30.

Sommige wijsgerige opvattingen verdwijnen als schepen in de nacht. Nog niet zo lang geleden was de gedachte dat de mens bestond uit lichaam en geest een gerespecteerde opvatting. Dit dualisme, in de zeventiende eeuw helder verwoord door Descartes, wordt tegenwoordig nauwelijks nog aangehangen.

Voor de geruisloze verdwijning van het dualisme van lichaam en geest bestaat geen goede rechtvaardiging. De geest laat zich nog steeds niet volledig beschrijven in de taal van de natuurwetenschappen. Er is wel een verklaring: de opvatting dat de geest niets anders dan een hersenproces is, het materialisme, wordt nu zo algemeen aangehangen dat het zwaartepunt van de wijsgerige discussie is verschoven. De vraag is niet meer of dualisme houdbaar is of niet, maar op wat voor manier men moet verdedigen dat de geest een hersenproces is.

De Canadees Paul Churchland, hoogleraar aan de Universiteit van Californië te San Diego, is de meest radicale verdediger van het materialisme. De afgelopen tien jaar hebben zijn werk en optreden onder filosofen opzien gebaard. Hij is er van overtuigd dat de hersenwetenschappen ons heil en zegen zullen brengen. Die overtuiging is niet de conclusie van een voorzichtige redenering. Voordrachten van Churchland zijn gloedvolle betogen, waarin hij met behulp van lichtbeelden en verkooptechnieken het gehoor tot zijn standpunt wil overhalen. Hij wil niet slechts gelijk hebben; hij wil ook gelijk krijgen.

Zijn boek The Engine of Reason, the Seat of the Soul is net zo meeslepend en bevlogen als zijn lezingen. Volgens Churchland is ons praten over de geest van de mens een hopeloos verouderde volkspsychologie die we zo snel mogelijk moeten vervangen door een wetenschappelijke, neurobiologische theorie. Net zoals we niet meer denken dat de zon om de aarde draait, moeten we ook niet volhouden dat mensen bang zijn of verlangens koesteren.

In Churchlands ideale toekomst zitten mensen niet op het strand te genieten van het avondrood van de ondergaande zon en van de zee die voort klotst in eindeloze deining. Nee, die mensen luisteren naar aperiodische atmosferische compressiegolven die geproduceerd worden als decoherente energie van de oceaangolven hoorbaar geredistribueerd in de chaotische turbulentie van de branding. Die mensen zien dat de golflengte-distributie van de binnenkomende zonnestralen verschuift naar langere golven.

Deze toekomstvisie is gebaseerd op de gedachte dat de hersenen een biologische computer zijn. Hersencellen zijn knopen in een groot netwerk van zenuwbanen. Denken is volgens Churchland het aan en uitspringen van die knopen. Wat we denken wordt bepaald door de verhoudingen tussen de cellen die aan en uit staan. Deze verhouding kan weergegeven worden door een vector en Churchland trekt dan ook meteen de conclusie dat intelligentie een vector is. Hij probeert dit beeld van de hersenen aannemelijk te maken door het toe te passen op de waarneming. Net zoals de computer van de onderzeeboot kan leren de rotsbodem voor de kust te herkennen, net zo kan de mens de eigenschappen van objecten in de werkelijkheid leren waar te nemen.

Churchland vooronderstelt dat alle kennis uit de waarneming voortkomt. Daarmee staat hij in de filosofische traditie van het empirisme. Het grote probleem voor het empirisme is dat het onwaarschijnlijk is dat alle kennis ons via de zintuigen wordt aangereikt. Ons begrip van waarheid, bijvoorbeeld, zou ook een aangeboren eigenschap van de geest kunnen zijn.

Churchland houdt zich met dergelijke 'ouderwetse' vragen niet bezig. Alle vragen worden volgens hem door de wetenschap beantwoord. Dit optimisme is het verfrissende maar tegelijkertijd ook het teleurstellende aan dit boek. Wie dit optimisme niet deelt ziet zich na lezing niet gedwongen zijn opvatting te herzien, omdat Churchlands positie niet de conclusie van een filosofisch dwingend betoog is.