Plagiaat

Vorige week viel mij opeens de gedachte in dat het gedicht dat ik zojuist naar de Kinderpagina had gestuurd misschien iets weg had van een zeker gedicht van Stevie Smith; het vreemde was dat ik mij dat gedicht niettemin niet duidelijk voor de geest kon halen, alleen een soort echo ervan spookte door mijn hoofd. Ik kon het (en kan het nog steeds) niet vinden in de bundels van Stevie Smith die in mijn bezit zijn. Misschien was het een hersenschim. Toch vroeg ik de redactie van het CS mijn gedicht maar niet te publiceren en schreef in allerijl een vervanging.

Dit voorval moge twee dingen illustreren: 1. hoe je, met al dat plagiaat om je heen, kan schrikken van je eigen schaduw; 2. hoe het desondanks niet onmogelijk is iets onbedoeld te plagiëren. Er is niet veel verschil in gedaante, in het bewustzijn, tussen een vage inval en een vage herinnering. Zolang je je daarvan in een gegeven situatie maar bewust bent voer je de nodige verificaties uit, maar je bent het je niet altijd bewust. Lang geleden heb ik eens geschreven, in De aaibaarheidsfactor, dat katten altijd lekker ruiken: 'naar pas gestoomde dekens'. Kort na de verschijning van het boekje kreeg ik een brief van W.F. Hermans, met wie ik toen nog bevriend was, of ik wel wist waar die vergelijking vandaan kwam. Namelijk uit een verhaal van hem. Ik moet het daar inderdaad gelezen hebben, maar dat was ik vergeten.

Intussen is werkelijk plagiaat volgens mij wel iets anders, namelijk bewust kopiëren, en verzwijgen dit gedaan te hebben, van hele alinea's of bladzijden, en in de eerste plaats van wetenschappelijke of beschrijvende teksten, zoals recentelijk weer in de affaire Diekstra. Maar tegen de diefstal van ideeën is weinig te beginnen. Met literaire teksten is het nog moeilijker. Er zijn dan kwesties van mode, beïnvloeding, 'werken in de stijl van', 'geïnspireerd worden door' - zo leer je al op school dat het gedicht 'Iris' van Jacques Perk geïnspireerd is op Shelley's 'Ode to a Skylark', en dat wordt dan niet gezien als iets ongeoorloofds. In een nog verder verleden schreven de mensen niet alleen gedichten maar vrolijk hele toneelstukken van elkaar over, meestal in vertaling, zonder moeite te doen dit te verheimelijken. Het parafraseren van schrijvers uit de klassieke oudheid was een gangbare en volstrekt eervolle bezigheid. Nog moeilijker is het in de schilderkunst en vooral de muziek; verwijzingen in de trant van 'geciteerd naar X' zijn daar ook onmogelijk; zo is (en wordt) er in de muziek geroofd op een schaal en met een straffeloosheid die in de literatuur ondenkbaar zou zijn.

Intussen is wat mij in die recente onthullingen het meest heeft verwonderdde kennelijke incompetentie (en pogingen het goed te praten) van alle betrokken geestverwanten, collega-psychologen, experts, uitgevers, redacteuren, proeflezers, correctoren et al. die de teksten onder ogen of de boeken in handen moeten hebben gehad - met als verzachtende omstandigheid de consternerende nietszeggendheid van die teksten, lijkend op de horoscopen die je in huis-aan-huiskrantjes tegenkomt.

Maar zelfs die kopieert een fatsoenlijk mens niet. Een behoorlijke astroloog verzint ze zelf. Ik heb de heimelijke overtuiging dat er, als alle teksten uit de zogenaamde 'sociale wetenschappen' nauwkeurig met elkaar konden worden vergeleken, plagiaat aan het licht zou komen op een schaal die niemand voor mogelijk houdt.