Onbekommerd brons; De hardnekkige schilderijen van Marien Schouten

Hele bouwwerken hangt Marien Schouten aan schilderijen: kruizen, ijzerbeslag en houten bankjes. Tot voor kort deed hij dat als modernistisch onderzoek naar de pure schilderkunst. In het Stedelijk Museum in Amsterdam is te zien dat de kunstenaar zich daar nu van afkeert. “Schouten is op zoek naar het sublieme.”

Marien Schouten: Het vieze tafeltje. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. T/m 3 nov. Dag. 11-17 u., tot 1 okt. 11-19u.

Er hangt een merkwaardig schilderij in de eerste zaal van de tentoonstelling van Marien Schouten. Als toeschouwer zie je het niet meteen: eerst moet je voorbij Schoutens Schilderij met twee sterren (1992) en twee stukken van het tweeënhalve meter hoge, stalen hek dat hij ontwierp voor de Majellakerk in Amsterdam. Pas daarachter hangt het, alsof het uit de lucht is komen vallen: een precieus geschilderd doek van de pre-rafaelitische schilder William Holman Hunt. Er is een vrouw op te zien die even daarvoor nog op de schoot van haar minnaar achter de piano zat; nu staat ze op en kijkt met grote, opgewonden ogen naar buiten. De reden voor die verrukking zien we in de spiegel achter haar: een idyllisch beeld van groene bomen en helder lentelicht dat overvloedig naar binnen stroomt. The Awakening Conscience (Het ontwakende geweten) heet het, en volgens literatuur zag Hunt het als een pendant van een doek waarop hij Christus als 'Het licht van de wereld' had afgebeeld. Over de betekenis van The Awakening Conscience hoef je dan niet lang meer na te denken: hier ziet een vrouw het goddelijk licht.

De solo-tentoonstelling van Marien Schouten in het Stedelijk Museum in Amsterdam heet Het vieze tafeltje en dat lijkt een wat vreemde titel voor een estheet als Schouten. De betekenis van die titel ligt dan ook niet erg voor de hand: met dat 'vieze tafeltje' wordt het tafeltje bedoeld dat Mondriaan achter een kamerscherm in zijn Parijse atelier verborgen hield om de bloemstillevens te schilderen waarmee hij in tijden van geldnood in zijn levensonderhoud voorzag.

Dàt tafeltje past wel goed bij Schouten: de schatplichtigheid aan Mondriaan is van zijn werk niet moeilijk af te lezen. Zoals Mondriaan zich toelegde op horizontale en verticale lijnen en primaire kleurvlakken, zo is op bijna ieder werk van Schouten een dun, met potlood getekend raster te zien. Soms is het bijna weggeschilderd, soms er stevig overheen gekrast, maar meestal blijft het op de achtergrond aanwezig - als een houvast in de strijd van de schilder tegen het witte vlak.

Ateliers

Marien Schouten (Andel, 1956) is in Nederland altijd beschouwd als een typische exponent van De Ateliers - de 'tweede-fase' opleiding in Amsterdam waarvan Jan Dibbets en Toon Verhoef de bekendste voormannen zijn, maar waar ook Stanley Brouwn les geeft, en Carel Visser. Schouten studeerde er van 1981 tot 1983, en tegenwoordig is hij een van de prominentste docenten van het instituut. Binnen het spectrum van de Nederlandse kunst gelden de Ateliers-kunstenaars als de 'formele school': ze maken kunst die zich voegt in de streng modernistische of streng conceptuele traditie. Dat levert heel precieze, perfectionistische kunst op, die er afgewogen en esthetisch uitziet, maar meer over het hoofd dan over het hart gaat - ook ten aanzien van het werk van Marien Schouten vallen altijd weer termen als minimalisme en modernisme. De rode draad in het werk van Schouten is dan ook de (modernistische) vraag wat een schilderij nu eigenlijk is. Wat zijn de mogelijkheden en waarden van een schilderij? Is een schilderij al een schilderij als je het zo noemt? Wanneer mag je iets een schilderij noemen? Heeft een schilderij verf en doek nodig om een schilderij te zijn?

Dat Schouten zulke vragen belangrijk vind is al goed te zien op zijn vroege tekeningen, die op de tentoonstelling vooraf gaan aan de schilderijen. Strenge potloodlijnen vechten er op het papier met joyeuze, brede halen van groen en zwart oliekrijt die er overheen of onderdoor lopen. Het lijkt wel of de kunstenaar niet heeft kunnen kiezen tussen twee stijlen: enerzijds heeft hij de krachtige lijn willen gebruiken, anderzijds heeft hij het effect van expressionistische halen op het papier willen bekijken. Het resultaat is een reeks tekeningen die weliswaar spannend zijn, maar wel van het soort dat het gevecht tussen twee even sterke kemphanen oproept: het ziet er opwindend uit, maar je beseft te goed dat de strijd nooit beslist zal worden.

Waarschijnlijk heeft Schouten dat zelf ook ingezien, want sinds een jaar of zeven doet hij zijn onderzoek via een U-bocht-constructie: hij neemt alles wat traditioneel niet tot een schilderij hoort en maakt daar zijn schilderijen mee. En inderdaad zijn de werken die hij sindsdien maakt nauwelijks nog schilderijen te noemen, want Schouten hangt hele bouwwerken aan zijn doeken: christelijke kruizen, sterren, ijzerbeslag en vaak een soort houten bankje dat op tweederde van de hoogte van de doeken is bevestigd. Installaties aan de wand zijn het, maar desondanks blijft Schouten ze toch hardnekkig 'Schilderij' noemen: Schilderij met twee bogen bijvoorbeeld, of Schilderij met twee sterren. Toch is dat zo gek nog niet: de ijzeren constructies en het lege vlak hebben elkaar in het werk van Schouten nodig. De groene of bruine verflagen zijn zonder het ijzerbeslag teveel decorstukken; en zonder doek of verf is het ijzer loze ornamentatie. Samen vormen die twee elementen echter een mooi, harmonieus geheel, en dat is precies waar Schouten naar op zoek lijkt. Harmonie boven alles, en het maakt niet uit wat je in stelling brengt om die te bereiken.

Er is nog iets anders dat opvalt op Het vieze tafeltje. Wie de tentoonstelling binnenloopt zal enige tijd nodig hebben om te beseffen dat het hier een expositie betreft van een relatief jonge, mid-career kunstenaar. Vergelijk het werk van Schouten met de kunstenaars, nauwelijks tien jaar jonger dan hij, die onlangs op Manifesta hun dagboek aan de muur hingen, drie weken als hond leefden, de inhoud van hun prullenbak exposeerden of huisjes van suikerklontjes bouwden. Naast deze ego-documentaristen is Schouten een soort dinosaurus, die zijn werk zowel letterlijk als figuurlijk het aura van 'grote kunst' wil meegeven. Bij hem geen luchtige relativering van het kunstenaarschap: hij wil de toeschouwer nog 'ouderwets' imponeren met zware kunstwerken die ook nog eens onderwerpen als 'de' schilderkunst' of 'de' beeldhouwkunst aan de orde stellen - thema's die door zijn bijna generatiegenoten nauwelijks nog als een probleem worden ervaren. Het vieze tafeltje krijgt er iets melancholieks door.

Wim Kan

Dat gevoel wordt nog versterkt door Schoutens nieuwste werk: een reeks 'hangende beelden' (natuurlijk weer onder de titel Schilderij) die zijn uitgevoerd in brons. Nu is er op dit moment nauwelijks een materiaal te bedenken dat anachronistischer en provocerender is voor een moderne kunstenaar dan brons - het materiaal van de (post)-Rodin generatie, van de beelden op een sokkel, van de bustes in het park, van het beeld van Wim Kan in Amsterdam; het materiaal kortom, dat door bijna ieder museum voor moderne kunst naar de diepste krochten van zijn kelders is verbannen. Maar zo niet door Schouten: die voert zijn werk onbekommerd uit in brons en hangt het nog aan de muur ook.

Hierdoor krijg je het gevoel een kunstenaar te aanschouwen in het midden van een trage draai: langzaam keert Schouten zich af van het modernistische onderzoek en begint te experimenteren met begrippen als harmonie en tijd. Het lijkt zelfs of hij een poging doet zijn werk aan die tijd te onttrekken. Want niet alleen gebruikt hij ouderwetse materialen: bijna al zijn schilderijen zijn uitgevoerd in 'eeuwige' aardkleuren als mosgroen en boombruin; op zijn jongste, groene Schilderij heeft hij een laag lak aangebracht die je onmiddellijk doet denken aan het vergeelde vernis op een Caravaggio en op Schilderij met ster (1991) is een hoeveelheid craquelé te zien die de gemiddelde Rembrandtvervalser jaloers zou maken.

Harmonie en tijdelijkheid, als die begrippen zich eenmaal in je hoofd hebben vastgezet tegen de achtergrond van The Awakening Conscience, willen ze er, lopend over de tentoonstelling, niet meer uit. Je beseft dat Schouten op zijn manier op zoek is naar het sublieme, zoals de maniëristen dat waren, of de pre-rafaelieten, of de abstract expressionisten. En toen ik dat eenmaal zag, gebeurde er nog iets merkwaardigs: plotseling werden alle hekken op de tentoonstelling koorhekken, werden alle stalen en messing kruizen geloofssymbolen, werd Schilderij met stalen banden en planken ('92), dat met kleine pootjes op de grond staat, een bankje van de benedictijner pater Dom van der Laan, en werd Schouten in zijn nieuwste werk zelf een Job die met zijn bronzen en gipsen beelden de God van het modernisme bevroeg: Schilderij?

Voor een diep-religieuze ommezwaai lijkt Schouten me wat te nuchter, maar dat neemt niet weg dat zijn werk steeds meer religieuze of op zijn minst spirituele connotaties krijgt. Je ziet Schouten twijfelen aan zijn modernistische idealen, aan het belang van de schilderkunst. Dat hij die idealen ooit volledig zal laten varen lijkt me sterk, daarvoor zitten ze te diep, maar juist door die duidelijke tweeslachtigheid is Het vieze tafeltje een mooie tentoonstelling geworden. Je ziet de kunstenaar zoeken, zich van de pure schilderkunst afkeren. Langzaam richt hij zijn blik op het leven.