Om Greshoff te eren

Wat is er van J. Greshoff geworden? Zo'n zestig jaar geleden sprong mijn hart op van opstandig plezier wanneer ik zijn gedichten las. Hij hoonde de burgers: 'Wie pienter is wast altijd zijn popo/ Wel op een zijden kussen te installeren/ En te verdienen valt er overal!'

Hij haatte de nationaal-socialisten: 'Kleine S.A-man, slaap zacht,/ Hitler houdt immers de wacht./ Voor hèm heb je pas in het holst van de nacht/ Een zoodje marxistische joden geslacht./ Kleine S.A-man, 't gaat goed,/ Geen betere meststof dan bloed.'

Hij dreef de spot met literaire deftigheid: 'Dit is voorwaar geen zuivere poëzie/ Volgens de code die door Binnendijk/ Muurvast is opgesteld voor 't Koninkrijk/ Der Nederlanden, broedplaats van 't genie.'

Hij wilde vrijheid: 'Ik voel mezelf een houten pierlala/ Volkomen ridicuul met hoge hoed/ Boven een roze streepjespyjama.// Ik bèn uw slaaf, uw clown niet, wereldheren/ Ik heb genoeg van tucht en marchanderen/ Het spel is uit, val dood! Ik gà.'

Ik was een verwarde jongen die als leerling van het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam bijna opzichtig mislukte, ik had Greshoffs poëzie nodig. En dan was er ook nog een boek als Rebuten (onbestelbare brieven) waarin hij de draak stak met mensen die gewichtig deden, zedenmeesters, schoolmeesters. Ik genoot ervan. Nu ik die dichtregels overtik meen ik iets te voelen van wat ik toen heb gevoeld, iets van triomf alsof de verzen mij een soort gelijk gaven. Ik was gehoorzaam van aard, ik wilde best leren, het ging niet. Door de poëzie van Greshoff kreeg mijn onvermogen allure, ik kon althans dòen of ik heftig in verzet was. Ik zal Greshoff niet verloochenen.

Maar wat is er van hem geworden? Toen hij in 1971 stierf, tachtig jaar oud, was hij vrijwel vergeten. In 1969 was een dik boek van hem verschenen dat hij in 1965 had voltooid, Afscheid van Europa, en dat was ouderdomswerk op z'n slechtst, levenloze herhaling, zonder kraak of smaak. Tien jaar na zijn dood heeft Marko Fondse een bloemlezing uit zijn gedichten samengesteld, Een eerlijk man heeft niets dan zijn gelaat. Het heeft niet mogen baten, vrees ik. Ik ben tien dagen lang Greshoff gaan lezen, uit mijn eigen boekenkast, om te kijken of ik er nog iets aan vond en of ik er iets nieuws in zou ontdekken.

Tussen 1948 en 1950 verscheen in vijf mooie delen het Verzameld werk. Enkel het deel Gedichten is behoorlijk gecomponeerd. De andere, Legkaart, Grensgebied, Zwanen pesten, Het boek der vriendschap, bestaan vooral uit aan elkaar geplakte artikelen uit verschillende levensperioden van de schrijver, naar teneur ondergebracht in de delen. In 'Zwanen pesten' de hatelijkheden, in 'Het boek der vriendschap' de loftuitingen, in 'Grensgebied' de beschouwingen over zonderlingen, 'onofficiële' schrijvers, briefschrijvers, in 'Legkaart' van alles en nog wat. Er staat nergens waar en wanneer de stukken en stukjes voor het eerst verschenen zijn. Herhalingen worden soms genegeerd, soms breedvoerig geëxcuseerd. Een grabbelton. De journalist moest zich aanpassen bij de periodieken waarvoor hij schreef, zodat in een uit losse bestanddelen samengestelde beschouwing de toon nooit constant is.

Greshoff zegt steeds weer dat hij er trots op is van standpunt te kunnen wisselen, dat hij zichzelf graag tegenspreekt, en hij dichtte ook: 'Een eerlijk man is iedre dag een ander/ En iedre dag een ander avontuur'. Maar hij presenteert toch zelf zijn losse vellen als een ernstig geconstrueerd, fraai gebonden boek? En ook nog die aforismen. 'Zwanen pesten' eindigt zo: 'Wie het laatst lacht, lacht het best. Inderdaad, hij lacht om het énige wat wèrkelijk de vreugde waard is: de ondergang van deze wereld'. Iemand die er zo over denkt laat toch niet zijn stukjes herdrukken?

Greshoff was om en nabij de zestig toen hij dat verzameld werk liet verschijnen en hij woonde sinds 1939 in Kaapstad. Hij was een benijdenswaardig reiziger. Voor de Eerste Wereldoorlog oriënteerde hij zich in Duitsland. Na een nogal mislukte periode als hoofdredacteur van een Arnhemse krant vestigde hij zich als journalist in Brussel. Hij ging naar Zuid-Afrika, en verbleef tijdens en na de oorlog in Nederlands-Indië en New York. Hij was thuis in Italië en Parijs. Een cosmopoliet. En overal ontmoette hij mensen van bijzondere statuur, kunstenaars, diplomaten, wetenschappers, en verheugde zich in hoogstaande gesprekken.

Waar práátte hij over met Emile Verhaeren, Karel van de Woestijne, prinses Marie van Griekenland, Franz Werfel, in het Frans, Nederlands, Engels? Het siert hem dat hij niet roddelt, lastert, uit de school klapt, maar wat heb je aan een lange verhandeling over zijn vriendschap met Karel van de Woestijne ('Carolus Magnus') wanneer je enkel verneemt dat deze met vrouw, zoon en dochter een aardig buitentje bewoonde en zacht sprak? Je wilt weten hoe hij eruit zag en waarom hij zulke pijnlijk-sensuele gedichten vol wroeging schreef.

Inconsequentie is volgens Greshoff een deugd. Hijzelf, prediker van oprechtheid en onthulling, ontsnapt in zijn memoires steeds van het particuliere, interessante naar het algemene, verhevene, een verkeerde inconsequentie. Alleen over J.H. Speenhoff, die hij in zijn jeugd leerde kennen in Rotterdam, weet hij smakelijk, levendig te vertellen.

Greshoff wordt niet meer gelezen. Vijfentwintig jaar geleden is hij gestorven. Ik las in de krant dat een antiquariaat een ongepubliceerd boek van hem in de aanbieding had, een manuscript van aan elkaar geplakte krantenstukken met tussenteksten, onder de titel Ditjes en datjes. Ik keer knarsetandend terug naar toen ik veertien, vijftien, zestien, zeventien was om Greshoff te eren. Het is eigenlijk allemaal heel erg.