Na de WAO is de WW aan de beurt

DEN HAAG, 13 SEPT. Bijna alle sociale wetten zijn door het kabinet in de revisie gedaan. De Ziektewet werd ingrijpend veranderd, de WAO ligt nog op de operatietafel. De nabestaandenwet werd herzien, de bijstandswet idem dito. De AOW en de pensioenen worden tegen het licht gehouden.

Het kon dus niet uitblijven dat ook die andere belangrijke werknemersverzekering, de WW, aan de beurt zou komen. Het kabinet heeft de WW voor de garage gereden. Zodra de andere klanten zijn geholpen kan de WW worden binnengereden.

In de nota Werken aan zekerheid die het kabinet met Prinsjesdag presenteert, worden mogelijkheden geschetst om in de WW in te grijpen. Die WW komt in de toekomst namelijk onder extra (financiële) druk. Omdat de uittredingsroutes van de WAO en de VUT door allerlei ingrepen minder populair worden, moeten (vooral oudere) werknemers het arbeidsproces wel via de WW verlaten. Er dreigt een run op de WW. Zeker als de economie wat zou inzakken.

Het kabinet wil de instroom naar de WW beperken en de uitstroom bevorderen. Als middelen worden genoemd: premiedifferentiatie (hogere premies naarmate bedrijven meer mensen in de WW lozen) en de introductie van opbouw- en spaarelementen in de WW. Bij de opbouw-WW bouwen werknemers meer WW-recht op naarmate ze langer werken. Bij de spaar-WW wordt gerefereerd aan de vrijheid van individuele werknemers om zelf uit te maken of men gebruik maakt van de WW of niet.

Stel dat een werknemer een rijke of veel verdienende partner heeft. Bij werkloosheid heeft zo'n werknemer helemaal geen WW nodig. In de visie van minister Wijers (Economische Zaken) zouden ongebruikte WW-rechten opgespaard moeten kunnen worden voor later. Minister Melkert (Sociale Zaken) is daar niet zo voor. En de sociale partners mogen nu adviseren wat zij ervan vinden.

Omdat het vooral oudere werknemers zijn die door hun werkgever worden afgedankt en in de WW geloosd, hebben ze bij het ministerie van Economische Zaken een ander idee geopperd: de middelloon-WW. Wanneer oudere werknemers goedkoper worden, zullen werkgevers hen niet zo gauw afdanken, redeneert minister Wijers. Maar diezelfde werknemers zijn niet bereid een stapje terug te doen in inkomen (demotie) als dat consequenties heeft voor allerlei sociale voorzieningen, zoals het recht op WW, WAO en aanvullend pensioen. Als een werknemer een paar jaar voor zijn 65-ste verjaardag teruggaat in inkomen en toevallig een pensioen heeft dat is gekoppeld aan het laatst verdiende loon, dan ondervindt die werknemer daarvan vele jaren de negatieve financiële consequenties. Iets soortgelijks geldt voor het recht op WW en WAO.

De introductie van een middelloon-pensioen en middelloon-WW moeten uitkomst bieden. Hierbij zijn rechten niet gekoppeld aan het laatstverdiende inkomen, maar aan het gemiddeld over de voorgaande jaren verdiende loon (middelloon). Het kabinet oppert nu dat bij de bepaling van het loon waarop een uitkering wordt gebaseerd rekening kan worden gehouden met het loon dat vooraf gaat aan de demotie. Het hangt er dan maar vanaf over hoeveel jaren dit gemiddelde loon wordt berekend. Wordt het middelloon berekend over alle dienstjaren, zoals bij het pensioen, of alleen over de laatste vijf of tien jaren?

In elk geval zet het kabinet hiermee de deur open voor een aantasting van de hoogte en de duur van de WW-uitkering. Als een werknemer immers carrière maakt en meer gaat verdienen, dan is het middelloon lager dan het laatstverdiende loon. De middelloon-WW is in dat geval ook lager dan de huidige eindloon-WW (70 procent van het laatstverdiende loon).

Het is een nogal gevoelig thema. In 1991 leidde een aangekondigde aantasting van de hoogte en duur van de WAO-uitkering tot immense onvrede onder kiezers en de achterbannen van de toenmalige regeringspartijen PvdA en CDA. Als de PvdA (nog steeds regeringspartij) iets wil vermijden dan is het wel de suggestie dat opnieuw aan de hoogte en duur van een uitkering (ditmaal de WW) wordt getornd.