Meer dan naastenliefde

John F. Hutchinson: Champions of charity. War and the rise of the Red Cross, Westview Press, 448 blz., ƒ 85,-

Eind 1917 werd de Amerikaan Louis B. Nagler tot dertig maanden gevangenisstraf veroordeeld, wegens spionage. Nagler was benaderd door een collectant van het Amerikaanse Rode Kruis, maar weigerde te doneren aan 'een bende konkelaars'. Dit bleek reden tot opsluiting. Het ARK was immers een nationale organisatie geleid door top-politici en officieel onderdeel van de militair geneeskundige dienst. Het droeg een geduchte steen bij aan de oorlogsinspanning met zijn reparaties van defect menselijk materiaal.

Dit voorval staat te lezen in John F. Hutchinsons lezenswaardige Champions of Charity en is tekenend voor de ontwikkeling die het in 1863 door Dunant en jarenlang voorzitter Moynier uit menslievende motieven opgerichte, internationale Rode Kruis had doorgemaakt. Niet meer het lijden van de individuele soldaat stond voorop, maar de versterking van de gevechtskracht van het nationale leger. Van een humanitaire organisatie was het Rode Kruis een militaire organisatie geworden. Dat was ook te zien aan de zeer op het militaire uniformen lijkende kledij.

Hutchinson begon aan zijn onderzoek uit onvrede over de literatuur die of oprichter Dunant of de gehele organisatie in een zonnig daglicht plaatste. Door dit beeld hoefde ook niet ingegaan te worden op het waarom van ontstaan en succes van de beweging. Dat was evident: naastenliefde. Dit bevredigde Hutchinson allerminst. Zo waren bijvoorbeeld wel vaker pogingen gedaan om organisties in het leven te roepen tot hulp aan zieke of gewonde soldaten. Die waren echter hooguit een plaatselijk en kort leven beschoren geweest. Waarom sloeg het Rode Kruis wel aan? Het antwoord is dat militaire en politieke machthebbers in Europa, Japan en Amerika snel (Pruisen/Duitsland) of minder snel (Groot-Brittannië, Verenigde Staten) in de gaten kregen dat het Rode Kruis een uitnemende organisatie was om de militair geneeskundige dienst bij te staan, en om de bevolking van een land bij de oorlogsinspanning te betrekken. Meer militaire dan humanitaire redenen stonden aan de wieg van het succes. Bijvoorbeeld door het geleidelijk weer invoeren van de dienstplicht werd de roep om een goede verzorging van 'onze jongens' steeds luider. Het Rode Kruis bood overheden de mogelijkheid die verzorging te verbeteren zonder dat dit geld kostte. Dit was ook de reden dat Florence Nightingale niets van Dunants en Moyniers organisatie moest hebben. Verzorging van soldaten was staatsplicht. Door die hulp aan particulieren over te laten, kon de staat die plicht verzaken en het geld dat hij daardoor uitspaarde aan het vervaardigen van nog meer en nog schrikwekkender wapentuig spenderen. Het Rode Kruis zorgde er volgens Nightingale voor dat oorlogen nog eerder konden uitbreken en een nog gruwelijker karakter zouden krijgen. Volgens Hutchinson zou de geschiedenis haar gelijk geven.

Er zijn eerder boeken verschenen die op de militarisering van het humanitarisme rond de eeuwwisseling wezen, maar Hutchinson doet het alomvattender en gedetailleerder. Soms te gedetailleerd, vooral als het zaken betreft die slechts zijdelings met de relatie tussen oorlog en het succes van het Rode Kruis te maken hebben. Zo behandelt het eerste van de drie delen de oprichtingsjaren, van 1859 (de slag bij Solferino), tot 1870 (de Frans-Duitse oorlog). Als we in 1870 zijn aangekomen zijn we reeds meer dan honderd pagina's gevorderd. Nog bonter maakt hij het in het derde deel, de naoorlogse jaren waarin de strijd tussen Liga van Nationale Rode Kruis-verenigingen en het International Committee of the Red Cross (ICRC) centraal staat. De jaren 1919 tot 1921 beslaan zo'n vijftig pagina's. Dit is des te hinderlijker omdat dat hoofdstuk toch weinig met zijn eigenlijke onderwerp te maken heeft. Desondanks wordt geen roddel gemist en geen ruzie overgeslagen.

Het eigenlijke onderwerp wordt beschreven in hoofdstuk twee, The militarization of charity, en beslaat de jaren 1870-1914. De jaren 1914-1918 zijn, op een enkele opmerking na, afwezig. Dit is niet zo vreemd. Hutchinsons relaas is een beleidsmatig relaas, een relaas waarin de vraag 'waarom' voorrang kreeg over de in het merendeel van de Rode Kruis-literatuur centraal staande 'wat en hoe'-vragen. Wat hij zegt over de jaren '14-'18 speelt zich in Washington en Londen af, niet in Ieper en Verdun. Vreemd is echter wel dat hij dit niet als rechtvaardiging aanvoert, maar opmerkt dat het 'hoe en wat' reeds uitvoerig is beschreven. Dat klopt ook wel, maar wel in literatuur die hij eerder als 'self-congratulatory' terzijde had geschoven.

Hoe terecht kritiek van Hutchinson op oudere boeken ook is, dat betekent natuurlijk niet dat er alléén maar onzin instaat. Zo is zijn oordeel over een der eerste leden van het ICRC, de arts Appia, bijzonder positief. In vrijwel alle voorafgaande literatuur wordt naar Appia verwezen als verklaring voor de vraag waarom het ICRC geen stringenter anti-oorlogsstandpunt innam. 'He looked on war like a god, not to be denied', schreef Ellen Hart in haar Dunant-biografie. Graag had ik ook dat oordeel afgedrukt gezien en gelezen waarom Harts beeld niet klopt, of hoe het samen kan gaan met het beeld dat hij van Appia schetste.

Een tweede voorbeeld is het gemak waarmee, ondanks alle gedetailleerdheid, Hutchinson aan de negatieve houding van de Denen tegenover ICRC-gedelegeerde Van de Velde voorbij gaat. Dikkoppigheid van militair geneeskundigen die al die inmenging in militaire zaken door civiele buitenstaanders maar niks vinden. Er was wel meer aan de hand, wat bovendien van groot belang was voor het onderwerp van Hutchinson. Denemarken was in 1864 het slachtoffer van Pruisisch-Oostenrijkse agressie. Daarom vond het dat het ICRC partij had moeten kiezen tegen de agressors. Door nu echter zowel een gedelegeerde naar Denemarken te sturen én een gedelegeerde naar de Pruisen (nota bene ook nog ICRC-lid Appia), was in Deense ogen het Rode Kruis geen neutrale buitenstaander die agressie veroordeelde, maar een organisatie die met haar houding agressie beloonde. Het Rode Kruis hoorde de kritiek aan en besloot tot het formuleren van de neutraliteitsopvatting die ook nu nog vrijwel ongewijzigd opgaat: het Rode Kruis is geen scheidsrechter, maar verpleger. Het Rode Kruis wenste zich niet met het oorlogsprobleem zelf bezig te houden. Dit resulteerde in een organisatie die aanvankelijk zorgde voor herstel van uitval die bommen en granaten nu eenmaal met zich meebrengen, en die nog later door het uitbaten van kantines vooral het moreel van de troepen diende.

Deze opmerkingen nemen niet weg dat Hutchinsons boek een overtuigende aanvulling vormt op de nog steeds tekortschietende geschiedschrijving over een der belangrijkste organisaties ter wereld. Een gebrek dat voor een groot deel de schuld van die organisatie zelf is. Nog steeds geeft het ICRC geen toestemming tot inzage in de archieven. Zelfs over de jaren van oprichting, toch al meer dan 130 jaar geleden, mag geen archiefstuk worden geraadpleegd.