Liberalisering in India bestaat vooral nog op papier

NEW DELHI, 13 SEPT. De vooral in het buitenland veel geprezen economische liberalisering in India van de laatste vijf jaar maakt moeilijke tijden door. Weliswaar houdt de nieuwe centrum-linkse regering van premier H.D. Deve Gowda op papier vast aan de hervormingen, maar onder pressie van links dreigt de vaart uit het liberaliseringsproces te worden gehaald.

De nieuwe Indiase minister van financiën, P. Chidambaram, zelf een overtuigd voorstander van verdere hervormingen, moet uit alle macht schipperen om zijn coalitiepartners èn de markt tevreden te houden. In het eerste is hij sinds zijn aantreden in juni beter geslaagd dan het tweede.

De minister kampt bovendien met tegenvallende economische cijfers. Uit officiële gegevens van deze week blijkt dat de groei in de exportsector sinds april stagneert. Was er vorig jaar in de periode april tot en met juli sprake van een robuuste groei van ruim 29 procent vergeleken met dezelfde periode in het voorgaande jaar, nu bedroeg die maar 11 procent.

De industrie geeft een soortgelijk beeld te zien. De groei van 9 procent in april en mei bleef dit jaar achter bij die van ruim 12 procent in dezelfde periode vorig jaar. Chidambaram zelf had zich bovendien al eerder bezorgd getoond over de teruglopende groei in de landbouw, een sector die van vitaal belang is voor het dichtbevolkte land.

De beurs van Bombay, de belangrijkste van het land, weerspiegelt de matheid die de Indiase economie thans kenmerkt. Al maandenlang heerst er een lusteloze sfeer. Ook de begroting, die Chidambaram in juli indiende, wekte weinig enthousiasme in de zakenwereld. Daar hadden velen gehoopt dat hij juist in zijn eerste begroting stoutmoediger te werk zou gaan, omdat er dan meestal meer speelruimte is voor een minister van financiën om de economie op koers te krijgen. Het breekbare karakter van het huidige, uit dertien partijen bestaande minderheidskabinet stond zulke daadkracht echter niet toe.

Een veeg teken is verder dat de buitenlandse belangstelling voor Indiase aandelen in de eerste drie weken van augustus kelderde tot tien procent van het niveau dat in juni en juli was bereikt. In totaal beliepen de buitenlandse investeringen in aandelen in de eerste zeven maanden van dit jaar 2,4 miljard dollar, nog altijd meer overigens dan de twee miljard dollar van 1995.

De terugslag was vooral te wijten aan Chidambarams begroting, die te weinig aantrekkelijks voor het bedrijfsleven zou hebben bevat. Het voornaamste was dat de belastingtarieven op bedrijfswinsten werden verlaagd van 46 tot 43 procent en verder werden sommige tariefmuren een beetje verlaagd. Geen woord echter over een liberalisering van de verzekeringsmarkt en een hoog nodige hervorming van het bankwezen.

Bovendien kondigde het kabinet kostbare plannen aan voor een nieuw overheidsfonds voor investeringen in de infrastructuur en, met een schuin oog naar links, programma's voor de armen op het platteland, die voor beter drinkwater, elementaire gezondheidszorg en onderwijs moesten zorgen. Hoe zou dit alles betaald moeten worden, vroegen velen zich af.

Chidambaram speculeerde op een groei van 7 procent, die dan weer zou moeten leiden tot stijgende belastinginkomsten voor de schatkist. Bovendien rekende hij op inkomsten uit de privatisering van staatsbedrijven ter waarde van 1,5 miljard dollar, een veelvoud van wat daar voorheen jaarlijks uit werd verkregen. Als alles volgens plan zou gaan, zou het begrotingstekort nog altijd 5 procent van het Bruto Nationaal Produkt bedragen.

De meeste waarnemers achtten Chidambaram overoptimistisch. Daartoe behoorde ook de Wereldbank die eind vorige maand een rapport over de liberalisering in India publiceerde. Zij allen betwijfelen of het land de fraaie groei van 1995-96 van zeven procent, bijna even hoog als die in de Aziatische Tijgers-staten, in dit rommelige verkiezingsjaar kan evenaren.

De critici voorspellen dat zowel de belastinginkomsten als die uit privatisering lager zullen uitvallen dan de minister verwacht. Daardoor zal het begrotingstekort vermoedelijk ruimer worden, wat weer negatieve gevolgen heeft voor de rentestand. De rente in India bedraagt nu al zo'n 17 procent bij een inflatie van ruim 5,5 procent.

Zelf deed Chidambaram onlangs tijdens een persconferentie nogal luchtig over het begrotingstekort. “We kunnen het tot vijf procent beperken. Tot dusverre doen we het vrij goed. Het IMF heeft nog geen verklaringen van andere strekking afgegeven.”

Hoewel het IMF zich daarvan heeft onthouden, liet de Wereldbank niet na New Delhi de noodzaak van een strikter uitgavenbeleid onder de neus te wrijven. “Tenzij fiscale onevenwichtigheden en de daaruit voortvloeiende hoge rentestand aanmerkelijk worden verminderd, zal India niet in staat zijn de huidige combinatie van lage inflatie en relatief hoge groei te behouden, want de hoge reële rente zou particuliere investeringen en groei vertragen”, zo vatte Joseph Wood van de Wereldbank de toestand samen.

Chidambaram verkeert echter niet in een positie waarin hij gemakkelijk kan bezuinigen. Vooral de socialistische en communistische partners in de regering volgen hem nu al met argusogen en zullen niet toestaan dat er wordt getornd aan de subsidies en andere voorzieningen voor de armere bevolkingsgroepen. Links in India staat in het algemeen nog altijd gereserveerd tegenover de liberalisering, omdat die hoofdzakelijk de middenklasse ten goede zou komen.

Deze regering moet bovendien veel meer dan de Congres-regering van Narasimha Rao en zijn minister van financiën, Manmohan Singh, rekening houden met de vakbonden. Die zijn allergisch voor iedere privatisering en daardoor lijkt de doelstelling van Chidambaram juist op dat terrein rijkelijk ambitieus.

In het besef dat directe privatisering momenteel nauwelijks tot de mogelijkheden behoort, heeft de voor ruim tweederde door de staat gecontroleerde State Bank of India een andere, indirecte weg gekozen om de invloed van de staat te verminderen. Dat gebeurt door het uitschrijven van een lening in het buitenland, in ruil waarvoor de deelnemers aandelen in de bank krijgen. In totaal gaat het om een bedrag ter waarde van 400 miljoen dollar. De regering zal hieraan zelf niet meedoen, waardoor het aandeel van het rijk in de bank stilzwijgend wordt gereduceerd van 69 procent tot 59 procent.

Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat de vakbonden zich zo lang zand in de ogen zullen laten strooien en het is onvoorstelbaar dat ze een vermindering van het overheidsaandeel tot beneden de vijftig procent zouden aanvaarden.

Bij al deze hindernissen moet Chidambaram dan ook nog voorzieningen treffen om de nu al zwaar overbelaste infrastructuur te verbeteren, een aspect waarop ook de Wereldbank in haar rapport sterk de nadruk legt. De vraag naar energie overtreft het aanbod steeds meer, waardoor de industrie, de landbouw en particulieren steeds vaker met elektriciteitsstoringen hebben te kampen. De meeste wegen, die bovendien door steeds meer voertuigen worden bereden, verkeren in een bedroevende staat.

Wellicht om zijn critici de wind uit de zeilen te nemen en om het tij in de economie te keren, ging Chidambaram gisteren een stapje verder door aan te kondigen dat buitenlandse investeerders voortaan een belang van 74 procent mogen nemen in Indiase bedrijven, al blijven sommige, niet nader genoemde bedrijven hiervan uitgesloten. Tot dusverre was het maximum 51 procent. Voorts werden opnieuw enkele invoertarieven verlaagd. De zakenwereld reageerde echter wederom lauw en de beurskoersen in Bombay daalden zelfs weer wat.

Bij al het donkere nieuws is er intussen ook één lichtpunt voor Chidambaram: de moesson, voor India's honderden miljoenen boeren van levensbelang, is deze zomer uitstekend geweest.