Lenin's roofdecreet; Familie vecht onteigening van kunstcollectie Sergej Sjtsjoekin aan

In het Haags Gemeentemuseum is nu de expositie 'Van Monet tot Matisse, Franse meesters uit het Poesjkin Museum' te zien. Dertig van die schilderijen waren voor de revolutie eigendom van de Russische kunstverzamelaar Sjtsjoekin. Zijn familie strijdt al jaren tegen de onteigening, en zijn kleinzoon overweegt om beslag te laten leggen op de dertig doeken in Den Haag.

Ze heette Irina Sjtsjoekina. Ze werd in 1915, kort voor de Russische Revolutie, in Moskou geboren. Toen ze twee was vluchtte haar moeder met haar naar het Westen. Haar lievelingspop Tamara was op die reis ineens heel zwaar geworden: de poppenbuik was volgestopt met juwelen. Irina ging met haar moeder en haar vader, die zich een jaar later bij hen voegde, in Frankrijk wonen. Daar zou ze in haar latere leven tweemaal een rechtszaak tegen haar vaderland voeren - in 1954 tegen de Sovjet-Unie en in 1993 tegen Rusland. Ze schreef in 1993 ook een dramatische brief aan Jeltsin. Maar toen Irina een jaar later stierf, had ze niets bereikt. Daarom ziet haar zoon, André-Marc Delocque-Fourcaud, het als zijn plicht om de acties van zijn moeder, de 'guerilla-oorlog tegen Rusland' voort te zetten.

De 'guerilla-oorlog' van één enkele familie tegen een supermacht heeft een lange voorgeschiedenis. Irina was de jongste dochter van de Russische textiel-magnaat en kunstverzamelaar Sergej Sjtsjoekin (1854-1936), die in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog een imposante collectie Franse kunst bijeen had gebracht. Tussen 1897 en 1914 vulde hij zijn woning, het Moskouse Troebetskoj-paleis, met 250 schilderijen, waaronder 51 Picasso's, 37 Matisse's en 63 doeken van Gauguin, Monet, Cézanne, Derain, Degas, Van Gogh en Renoir. Sjtsjoekin had een sterke emotionele band met zijn schilderijen. Het fanatieke verzamelen begon bij hem nadat hij getroffen was door een reeks familietragedies. Tussen 1905 en 1908 pleegden twee zoons en een broer zelfmoord en overleed zijn eerste vrouw. Uit het kleurige en sprankelende werk van Matisse putte hij in die jaren troost.

Vanaf 1909 stelde Sjtsjoekin het paleis elke zondagochtend open voor het publiek. Op die ochtenden verdrongen de Moskouse intellectuelen en jonge kunstenaars als Malevitsj, Larionov en Tatlin zich om de kubistische schilderijen van Picasso. Sjtsjoekin was van plan het paleis en de collectie na zijn dood te vermaken aan de stad Moskou, onder de voorwaarde dat het paleis een museum zou worden en de schilderijen hier bijeen zouden blijven. Hij kon niet weten dat zijn laatste wil al tijdens zijn leven zou worden uitgevoerd, zij het dat niet de stad Moskou maar de staat zijn collectie in bezit kreeg.

Op 5 november 1918 publiceerde de Izvestia een door Lenin ondertekend decreet waarin de collectie van Sjtsjoekin tot volkseigendom werd verklaard. Volgens het decreet was de verzameling 'door haar hoge artistieke kwaliteit van nationaal belang voor de opvoeding van het volk'.

De collectie bleef aanvankelijk in het Troebetskoj-paleis dat onder de naam 'Eerste Museum voor moderne Westerse Kunst' werd opengesteld. In 1928 verhuisden de schilderijen naar de woning van een andere Moskouse kunstverzamelaar, Ivan Morozov, wiens bezittingen na de Revolutie eveneens waren geconfisqueerd en wiens huis in 1918 door de Bolsjewieken was uitgeroepen tot het 'Tweede Museum voor moderne Westerse Kunst'. Na de samenvoeging van beide collecties in het huis van Morozov werd het Troebetskoj-paleis geannexeerd door het ministerie van Defensie, dat het nu nog altijd in gebruik heeft. De collecties bleven voor het publiek toegankelijk tot 1939 toen het museum gesloten werd en de schilderijen opgeborgen.

Na de oorlog werden de kunstwerken verdeeld over het Poesjkinmuseum in Moskou en de Hermitage in Leningrad. Pas in 1954, nadat Stalin was overleden, durfde het Poesjkinmuseum werk uit de Sjtsjoekin-verzameling uit het depot te halen. Later maakten het Poesjkinmuseum en de Hermitage niet alleen in de eigen zalen goede sier met de schilderijen van Sjtsjoekin en Morozov, ze werden ook regelmatig verhuurd aan Westerse musea en vormden zo een bron van inkomsten.

Machteloos

Toen het paleis en de collectie van Sjtsjoekin in november 1918 werden genationaliseerd, was hij zijn vrouw en dochtertje al achterna gereisd naar het Westen. Niet alleen zijn huis en kunstwerken werden genationaliseerd, maar ook zijn textielfabrieken. Doordat hij voor de Eerste Wereldoorlog voor zijn kunstaankopen geld had vastgezet op een Westerse bank, kon hij zich in Frankrijk een gerieflijk bestaan permitteren, al schoot er geen geld meer over om kunst te kopen. Zo kwam het dat hij Matisse, met wie hij vroeger, tijdens zijn veelvuldige bezoeken aan Parijs bevriend was geraakt, nu ontliep - een bezoek aan zijn atelier vond hij te pijnlijk.

Dat Sjtsjoekin zijn verzameling in zijn Franse jaren nog altijd als zijn eigendom beschouwde, blijkt uit het testament dat hij in 1926 liet opstellen. Daarin liet hij al zijn bezittingen na aan zijn vrouw en twee dochters - Irina en haar oudere halfzuster Jekatarina, die in 1923 ook naar Frankrijk was gekomen. Sjtsjoekin vond weliswaar dat zijn collectie in Rusland thuishoorde, maar dan wel als een schenking, onder de voorwaarde dat de schilderijen bij elkaar zouden blijven. Dus als de verzameling Sjtsjoekin en niet als een door de staat geroofd eigendom, een sovjet-buit. Het was die wens van haar vader waar Irina later voor streed: ze wilde eerherstel voor hem en ze eiste dat de collectie alsnog als een schenking aanvaard zou worden onder zijn condities. Sjtsjoekin zelf stond tot aan zijn dood in 1936 machteloos en hij zou zijn kunst ook nooit meer onder ogen krijgen.

Het duurde tot 1954 voor zich een gelegenheid voordeed waarbij Irina in actie kon komen. In dat jaar gingen voor het eerst een aantal kunstwerken uit de voormalige Sjtsjoekin-collectie naar het Westen: 37 schilderijen van Picasso die getoond werden op een door de Franse communistische partij georganiseerde expositie in Parijs. Irina spande een proces aan tegen de Sovjet-Unie. Ze vroeg de rechter beslag te leggen op de 37 doeken, met het argument dat deze op onrechtmatige wijze door de Sovjet-Unie in bezit waren genomen. Onteigening zonder enige vorm van compensatie wordt door de Franse wet niet erkend en nu een deel van de collectie zich op Frans grondgebied bevond zou de rechter dit moeten toewijzen aan de rechtmatige eigenaar: Irina. Maar de Franse rechter waagde zich niet aan een uitspraak en verklaarde de zaak niet ontvankelijk. Overigens had de beslaglegging ook nooit daadwerkelijk kunnen plaatsvinden aangezien de Sovjet-Unie de doeken ijlings liet terughalen en de expositie meteen werd gesloten.

In de brief die Irina op 1 februari 1993 aan Boris Jeltsin richtte, schrijft ze over de rechtszaak uit 1954: “Het was duidelijk dat mijn actie zowel de Franse regering als Chroesjtsjov in verlegenheid bracht.” Om de belangen van de Franse republiek die haar familie zo gastvrij had opgenomen, niet te schaden, had ze destijds geen juridische stappen meer genomen. Ze voegt hier aan toe dat ze aan president De Gaulle had beloofd om de Franse politiek van toenadering tot de Sovjet-Unie niet in gevaar te brengen en dus geen rechtszaken meer te beginnen.

De Sovjet-Unie kon na het incident van 1954 de Sjtsjoekin-schilderijen dan ook weer met een gerust hart uitlenen of verhuren aan Westerse musea. Zo exposeerde het Kröller-Müller Museum in 1972 tientallen doeken van Picasso, Cézanne, Gauguin, Matisse en Van Gogh. Het museum moest wel tolereren dat in de door Russische kunsthistorici geschreven catalogus een vergelijking werd getrokken tussen de verzameling van mevrouw Kröller-Müller - die de basis vormt van het museum - en de collecties Sjtsjoekin en Morozov die het nationale museumbezit van de Sovjet-Unie verrijken. Dat de manier waarop beide landen de collecties in bezit kregen wel iets verschilde, daar werd voor het gemak maar niet op ingegaan.

Dreigement

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 voelde Irina zich niet meer aan haar belofte gebonden. Rusland was nu immers een rechtsstaat geworden en het was nu zaak dat de Russen zich zouden bezinnen op de misdaden uit het verleden. In haar brief aan Jeltsin vraagt ze hem om het 'roofdecreet' uit 1918 in te trekken, zodat Sjtsjoekins ergenamen de collectie alsnog aan de stad Moskou kunnen schenken onder de door haar vader gewenste voorwaarden. Ze beschrijft hoe de samenhang van de collectie door de verspreiding over twee musea vernield werd, hoe de kunstwerken in het Poesjkin zonder vermelding van herkomst worden getoond en ze besluit haar brief met een dreigement: als Rusland weigert hierover met haar in discussie te treden, zal ze elke keer dat een stuk uit de collectie wordt getoond in een land waarvan de rechtsorde confiscatie zonder schadeloosstelling niet erkent, proberen haar eigendom terug te krijgen. Omdat een reactie op haar brief uitbleef, voegde ze nog dezelfde maand de daad bij het woord. In het Centre Pompidou opende in februari '93 een Matisse-tentoonstelling waar 25 doeken uit haar vaders collectie te zien waren. Dit keer vroeg ze niet alleen om beslaglegging op de schilderijen, maar ook op de 40.000 catalogi bij de expositie. Als het werk van Matisse haar toebehoorde, dan lagen de reproductierechten immers ook bij haar.

Tien dagen nadat Irina de rechtszaak had aangespannen, kreeg ze een antwoord op haar brief aan Jeltsin. Niet van Jeltsin zelf, maar van cultuurminister E. Sidorov die haar liet weten dat Rusland geen afstand zal doen van de 'eeuwige en door de hele wereld erkende' rechten op de collectie. In een commentaar tegenover Franse journalisten voegde Sidorov hier nog aan toe: “Als we ons in dit soort onderhandelingen gaan begeven, is het eind zoek. Dan moet aan de nazaten van Tolstoj en Poesjkin de bezittingen van hun voorouders worden teruggegeven, het Winterpaleis aan wie er nog over is van de tsarenfamilie en in Frankrijk zullen de Bourbons de rekening presenteren.” Over Irina's eis om de gespleten collectie tenminste weer samen te voegen, zei Sidorov: “We draaien de geschiedenis niet terug, de collectie behoort nu aan het Poesjkin en de Hermitage.”

Intussen bleef de rechtszaak in Parijs steken in procedure-vragen. Een probleem was bovendien de 'staatsimmuniteit' waarop Rusland zich beriep: een soevereine staat kan niet tegen zijn wil voor een buitenlandse rechter worden gedaagd. De Franse rechter achtte zich dan ook niet bevoegd om, in Ruslands afwezigheid, te beoordelen of de nationalisering van de collectie zo'n ernstige aanslag vormt op het Franse rechtssysteem dat dit in Frankrijk ongeldig kon worden verklaard. Irina kreeg dus weer nul op het rekest.

In juni 1993 leende Rusland opnieuw schilderijen uit, dit keer voor de expositie Monet bis Picasso in Essen. Maar Rusland wilde de doeken alleen afstaan als Irina beloofde de expositie niet te belemmeren. Omdat de tentoonstelling was opgezet als een eerbetoon aan de twee verzamelaars - de schilderijen hingen in Essen in een reconstructie van de eetzaal uit het Troebetskojpaleis - liet Irina zich overreden.

Na haar dood in 1994 leek voor Rusland het gevaar van inbeslagname geweken. Opnieuw werden schilderijen verhuurd aan Westerse musea: aan het Palazzo Reale in Milaan en deze zomer aan het Haags Gemeentemuseum, waar op de tentoonstelling Van Monet tot Matisse, Franse meesters uit het Poesjkin Museum 30 schilderijen uit de collectie Sjtsjoekin en 24 uit die van Morozov hangen. Maar Rusland heeft buiten de kleinzoon van Sjtsjoekin gerekend, André-Marc Delocque-Fourcaud, die net als zijn moeder wil dat de collectie een legaal onderdeel van het Russische erfgoed wordt en het Troebetskoj-paleis een culturele bestemming krijgt. Delocque-Fourcaud heeft inmiddels een Nederlandse advocaat in de arm genomen, Antoine Endtz, om te onderzoeken of hij een proces aanhangig kan maken nu een deel van de collectie in Nederland is. Omdat het hier gaat om een zaak tussen een Fransman en de Russische staat - een zaak die weinig binding heeft met het Nederlandse recht - zou Delocque-Fourcaud volgens Endtz in Frankrijk een bodemprocedure moeten beginnen, waarbij de rechter moet uitmaken wie de eigenaar is. (Tot zo'n bodemprocedure heeft Irina het nooit laten komen.) In afwachting van de uitspraak kan hij dan door de Nederlandse rechter beslag laten leggen op de schilderijen. Zo'n 'vreemdelingenbeslag', zoals het juridisch heet, zal de rechter hier zeker toestaan, zo zegt Endtz, al kan Rusland vervolgens om opheffing vragen. Endtz: “De kans van slagen is bij deze procedure vrij klein, maar Delocque-Fourcaud ziet het als een guerilla-oorlog waarmee hij wil doorgaan totdat de Russische regering bereid is een regeling te treffen die recht doet aan de wensen van zijn grootvader.”

Mocht Delocque-Fourcaud inderdaad beslag laten leggen op de schilderijen in Den Haag, dan zal hij dat pas doen tegen het eind van de tentoonstelling (27 oktober). “Het publiek mag niet de dupe worden van deze kwestie”, aldus Delocque-Fourcaud.

Op mijn vraag waarom hij niet samen met de familie van Morozov de onteigening aanvecht, zegt hij: “De Morozovs steunen onze acties, maar kunnen zich geen proces veroorloven. Bovendien willen zij ofwel de schilderijen van Ivan Morozov terughebben, of een financiële genoegdoening. Onze doelstellingen lopen dus uiteen.”

Familietragedies

In de catalogus bij Van Monet tot Matisse schreef Irina Antonova, directeur van het Poesjkin Museum een inleiding waarin ze de nationalisatie uit 1918 luchtigjes afdoet. Zo schrijft ze: “De huizen van Sjtsjoekin en Morozov werden opengesteld voor het publiek, waarbij de eigenaars als beheerders werden aangesteld.” Een eufemistische weergave, want de 'eigenaars' waren toen al geen eigenaars meer. Sjtsjoekin was zijn huis uitgezet en verbannen naar een conciërgewoning. Dat Sjtsjoekin na de revolutie tot het uiterste is gegaan om zijn collectie bijeen te houden en er zelf, desnoods als gids of suppoost, bij te blijven, vertelt Antonova niet.

Sjtsjoekin heeft in 1918 samen met de volkscommissaris voor de kunsten, Loenatsjarski, zelfs nog meegewerkt aan het plan om van het Kremlin een museum te maken waarin zijn collectie dan zou worden ondergebracht. Het plan ging niet door omdat de regering van Petersburg naar het Moskouse Kremlin verhuisde.

Antonova spreekt in haar inleiding ook over de banden tussen het Poesjkin Museum en de familie Sjtsjoekin: behalve van Sergej Sjtsjoekin verwierf het museum ook werk uit de collectie van zijn broer Dimitri. Het is brutaal dat Antonova hier over 'banden' durft te spreken, want ook Dimitri's kunst werd eenvoudig ingepikt door de staat.

De directeur van het Gemeentemuseum, Hans Locher, wil geen commentaar geven op de tekst van Antonova. Van de rechtszaken die Irina Sjtsjoekina tegen de Russische staat voerde, is hij niet op de hoogte en Locher zegt zich ook geen zorgen te maken over een eventuele beslaglegging in Nederland.

Hoeveel het Gemeentemuseum voor deze tentoonstelling aan het Poesjkin betaald heeft, wil Locher niet kwijt, maar het was 'een heel redelijke som'.

Net als voor het Poesjkin en de Hermitage zijn de schilderijen voor het armlastige Gemeentemuseum een goudmijntje. Boeken, kaarten, kalenders en posters met reproducties van de impressionisten vliegen de museumwinkel uit. En het loopt storm op de expositie: vorige week werd de honderdduizendste bezoeker geteld. Aan het 'roofdecreet' van 1918 lijkt op deze zonnige tentoonstelling niemand meer te denken.