Keert Schönberg terug naar Holland?; Strijd om archief met kunst en spulletjes

Behalve componist was Arnold Schönberg ook schilder, ontwerper en knutselaar. Hij bewaarde alles wat hij maakte en liet een reusachtige collectie van 30.000 voorwerpen na. Die wordt nu beheerd in Amerika, maar de erven Schönberg willen het archief in Europa onderbrengen, mogelijk in het Haags Gemeentemuseum. Als staatssecretaris Nuis een royaal gebaar wil maken, tenminste.

'Wulli in Zandvoort' heet de tekening die Arnold Schönberg maakte van zijn herdershond Wulli. De componist woonde met zijn gezin en Wulli in de winter van 1920-'21 in Zandvoort. De tekening van Wulli, een van de aardigste getuigen van de weinig bekende Hollandse periode in Schönbergs leven, wordt nu samen met talloze andere tekeningen, schilderijen, documenten, partituren en manuscripten van Schönberg bewaard in de University of Southern California in Los Angeles, waar Schönberg in 1951 overleed.

De kans bestaat dat Wulli weer terugkomt naar ons land. De erfgenamen van Schönberg willen de collectie weghalen uit Los Angeles en elders onderbrengen. Aanstaande dinsdag - Prinsjesdag - maakt staatssecretaris Nuis in zijn Cultuurnota bekend hoe hij staat tegenover een verzoek tot een jaarlijkse subsidie van 1,5 miljoen gulden om het gehele Schönberg-archief onder te brengen in de muziekafdeling van het Haags Gemeentemuseum.

De artistieke en wetenschappelijk-musicologische waarde van de zo gevariëerde nalatenschap van Schönberg is niet te overschatten. Alleen al de honderden schilderijen en tekeningen van Schönberg, die ook een beeldend kunstenaar was van groot belang, zouden een enorme verrijking betekenen voor het Nederlandse kunstleven.

Vooral de serie geschilderde zelfportretten is een indrukwekkend geheel. Schönberg heeft zelf lang getwijfeld of hij verder zou gaan als componist of als schilder en deze portretten tonen hem als een technisch trefzeker kunstenaar die via realisme en expressionisme kwam tot een uiteindelijk angstaanjagend zelfbeeld.

Steeds vager worden de contouren van de realiteit, steeds groter en verwonderder de ogen, steeds schrikwekkender de uitdrukking, tot er alleen nog flarden overblijven: een voorhoofd, een paar ogen, soms ver uit elkaar. Uiteindelijk zijn de laatste schilderijen met hun verglijdende kleuren alleen nog als afbeeldingen van menselijke vormen herkenbaar wanneer men de vorige heeft gezien. Nog verder gaan bij het schilderen leek Schönberg daarna niet meer te kunnen.

Daartegenover staat het aandoenlijke geknutsel van Schönberg, die in het handwerk met papier, karton en hout een strenge precisie toonde. Hij maakte pennenbakjes voor het schrijfgerei waarmee hij zijn composities noteerde, hij maakte ook allerlei rekenmachientjes om de noten van zijn twaalftoonsstelsel te variëren. Bovendien timmerde hij een lessenaar voor kwartetspel en bedacht hij een notenschrijfmachine. En niet minder curieus zijn de ontwerpen voor speelkaarten, meubels, kasten, tafels en ander huisraad. Zo is er een tekening voor een rekje in de badkamer met houders voor mondwater, tandpasta, scheercrème, after shave, alcohol, poeder, parfum en zeep.

Deze kunstschat, uniek op de wereld, zou in ons land kunnen worden ondergebracht, bewaard, bestudeerd en geëxposeerd voor een luttel bedrag. Het is geen wonder dat de Raad voor Cultuur staatssecretaris Nuis in mei adviseerde alles in het werk te stellen om het Schönberg Instituut naar Nederland te halen.

Royaal gebaar

De Raad voor Cultuur vindt echter dat de kosten daarvan zo weinig mogelijk mogen drukken op het reguliere muziekbudget. Daarom zouden vooral Europese fondsen moeten worden aangesproken, omdat Schönberg 'een bij uitstek Europees kunstenaar is en het een Europees belang is het Schönberg Instituut hier te vestigen.' Zo'n advies, dat er vooral op uit is anderen te laten betalen voor wat wij leuk vinden, is al te klein-Hollands. Nuis doet er goed aan zich daar niets van aan te trekken. Zeker nu Berlijn zich deze week ook nadrukkelijk kandidaat heeft gesteld, zou Nuis zo snel mogelijk een royaal gebaar moeten maken naar de familie Schönberg, die een voorkeur lijkt te hebben voor Den Haag.

De twee kinderen van Schönberg, Nuria Nono-Schönberg en Lawrence Schönberg, zijn op het ogenblik ontevreden over de manier waarop het Arnold Schönberg Instituut van de universiteit sinds 1977 het beheer voert over de reusachtige collectie, die 30.000 items omvat. De 10.000 brieven zijn nog het overzichtelijkste deel daarvan. Schönberg gooide nooit iets weg en sleepte alles wat hij aan post kreeg en zelf aan kunst en spulletjes maakte telkens weer met zich mee. Zelden liet een kunstenaar zóveel belangwekkends en vertederends na.

Ruimtegebrek bij het Schönberg Instituut in Los Angeles zou één oorzaak zijn van de weinig bevredigende manier waarop de collectie wordt bewaard, tentoongesteld en toegankelijk is voor wetenschappelijk onderzoek. Maar volgens Nuria Schönberg, de weduwe van de Italiaanse componist Luigi Nono, liggen er ook financiële en ideologische motieven ten grondslag aan dat niet optimale beheer.

De tijdens zijn leven zo heftig omstreden Schönberg zou vijfenveertig jaar na zijn dood in ieder geval in Amerika nog steeds niet werkelijk zijn geaccepteerd. Voor de Amerikaanse overheid, de universiteit en de financiers daarvan verschaft de zorg voor Schönbergs nalatenschap een prestige dat te veel wordt ervaren wordt als enigszins dubieus.

De kinderen Schönberg willen daarom het complete archief, dat hun eigendom is en blijft, terugbrengen naar Europa, waarvandaan Schönberg al ver voor de oorlog naar de Verenigde Staten vluchtte. In 1933 was hij als niet-ariër ontslagen aan de Berlijnse Akademie der Künste. Van 1936 tot 1944 leidde Schönberg een compositieklas aan de University of Southern California. Deze zomer wonnen de Schönbergs een rechtszaak tegen de universiteit, die zich tegen de verhuizing verzet. Het archief mag elders worden ondergebracht, de rechter verplichtte de universiteit zelfs daaraan 250.000 dollar bij te dragen.

New York en Wenen hebben grote belangstelling voor het Schönberg-archief. Maar naast Berlijn lijkt alleen nog Den Haag gedurende de afgelopen maanden overgebleven als de toekomstige vestigingsplaats voor het Schönberg Instituut. Het Haagse Gemeentemuseum heeft een belangrijke muziekafdeling. Er zijn niet alleen historische instrumenten maar ook een aantal omvangrijke collecties, zoals het Mengelbergarchief en de collecties die Willem Noske bijeenbracht.

Bovendien is Den Haag de woonplaats van de altviolist Henk Guittart. In 1974 richtte hij het Schönberg Kwartet op, in 1976 het Schönberg Ensemble. Guittart is een kenner en promotor van het werk van Schönberg en zijn Tweede Weense School als weinig anderen ter wereld.

De connecties tussen Schönberg en Nederland lijken in Schönbergs leven een zeer ondergeschikte plaats in te nemen, maar dat komt vooral omdat daarnaar pas recent nadere studie is gedaan. Schönberg dirigeerde diverse malen in het Amsterdamse Concertgebouw (in 1912 Pelléas und Mélisande, in 1914 de Fünf Orchesterstücke) en kwam in 1920 voor het Mahler Feest opnieuw naar Amsterdam. Er bestaat een foto waarop we hem zien aan boord van een boot tijdens een tochtje naar Volendam dat Mengelberg voor musici en vrienden organiseerde. Daarna bleef Schönberg hier, hij leidde verschillende concerten en in de winter van 1920-'21 woonde hij in Zandvoort op het adres Brederodestraat 65, een vrijstaand huis uit het begin van de eeuw.

Pas vijftien jaar geleden ontdekte Paul op de Coul dat huis, naast allerlei andere bijzonderheden over Schönbergs verblijf in Nederland, dat ook werd vastgelegd door de Algemene volkstelling op 1 januari 1921. De dirigent Otto Klemperer is in Zandvoort geweest, evenals een aantal leerlingen van Schönberg. Hij gaf hier een cursus analyse aan elf Nederlandse deelnemers, onder wie de componiste Henriëtte Bosmans.

Verder weten we over Schönberg dankzij dat archief dus vrijwel alles. Ook dat hij in Nederland teleurgesteld was over zijn snel vervlogen succes, de te schaars bezochte cursus, over Amsterdam ('geen plaats waar men gemakkelijk grote dingen tot stand brengt') en het niveau van de Nederlandse componisten ('Ze doen allemaal Debussy na en alles heeft een bioscoop-inslag. Niemand kan iets, maar ze zijn allemaal geraffineerd modern.') Over Wulli weten we ook iets belangrijks: hij beet geen intelligente mensen, alleen idioten.