Introdans: van gymzaal tot modern bedrijf

Met vier premières viert Introdans deze maand het zilveren jublileum. Oprichters Hans Focking en Ton Wiggers geloven nog steeds in het doel waarmee ze begonnen: een zo groot mogelijk publiek bereiken.

Introdans jubileumprogramma 'Zilver', met vier premières van Nils Christe, Renato Zanella, Ton Wiggers en Jean-Christophe Maillot: 14, 18, 19 en 20/9, Schouwburg Arnhem. T/m 13/12 in het hele land.

Een ruime ontvangsthal, een reeks kantoren waar de toetsenborden ratelen en faxen zoemen. Het Arnhemse dansgezelschap Introdans is een bedrijf met alles erop en eraan. Wat 25 jaar geleden onder de naam Studio LP begon als een particuliere balletschool en een piepkleine educatieve dansgroep, heeft zich ontwikkeld tot het vierde gezelschap in Nederland. De tijd dat Hans Focking en Ton Wiggers, respectievelijk zakelijk en artistiek directeur, zelf kostuums streken en de vloer dweilden is voorgoed voorbij.

Met de oprichting in 1971 van Studio LP in Arnhem waren Hans Focking (1946) en Ton Wiggers (1947) pioniers in het wat dans betreft onontgonnen oosten van het land. Het gezelschap van drie dansers trad op in scholen, buurthuizen en kleine theaters met een educatief programma voor de jeugd. “'Hé, een flikker in een maillot' werd er soms geschreeuwd”, vertelt Wiggers. “Zo'n kind pikte je er in het meedans-gedeelte van het programma dan even uit.”

Om het hoofd boven water te houden had iedereen er een baan naast; werken met behoud van uitkering was er toen niet bij. Wiggers: “Wat mij bijstaat van de begintijd, is de saamhorigheid. We deelden een ideaal. Daar verlang ik nog weleens naar terug.”

“Wat ik me vooral herinner is de kou”, zegt Hans Focking. “Gymzalen en kleedkamertjes, het was allemaal ijskoud en vreselijk smerig. Decors slepen over smalle houten trappetjes. Ik ben blij dat dat voorbij is.”

Met de komst van choreograaf Ed Wubbe die in 1981 zijn eerste werk voor de groep maakte en die tot 1990 aan het gezelschap verbonden bleef om daarna artistiek leider van Scapino Rotterdam te worden, brak een zeer succesvolle periode aan voor Introdans. De toekenning van de Prijs van de Theaterkritiek in 1984 bracht ook de belangstelling vanuit het buitenland opgang. Jaarlijks brengt de groep, die nu een kleine dertig dansers telt, ruim 100 voorstellingen. De inmiddels verzelfstandigde jeugdafdeling, Introdans Educatief, verzorgt er nog eens ruim 200. Voor aankomende choreografen, zoals Nils Christe, Graham Lustig en Philip Taylor, fungeert de groep als kweekvijver. “Als we willen blijven groeien, moeten we betere choreografen kunnen aantrekken”, zegt Wiggers. “Daar hangt een prijskaartje aan. Grotere gezelschappen, die meer kunnen betalen, vissen de vijver leeg.”

Het jubileum-programma Zilver omvat vier premières van Christophe Maillot, artistiek leider van Les Ballets de Monte Carlo, Nils Christe en Renato Zanella. Ton Wiggers maakte een ballet voor danseres Mirjam Diedrich, die daarmee afscheid neemt van het gezelschap.

In de begintijd was Wiggers, die nu elk jaar nog één ballet maakt voor de groep, behalve artistiek leider, danser en balletdocent ook de enige choreograaf. Geld om choreografen aan te trekken ontbrak. Wiggers maakte aan de lopende band balletten. “Daar was in het begin natuurlijk een hoop rotzooi bij. Ik wist soms niet meer waar ik het vandaan moest halen: de tijd en de rust ontbraken eenvoudig.”

Om te kunnen groeien als gezelschap moest eerst een publiek worden gewonnen, was de overtuiging van de tweekoppige leiding. Met de 'sandwich-formule' - een programma waarin een complexer ballet verstopt zat tussen twee meer toegankelijke in - trok de groep al snel volle zalen.

Gestoeld op educatie en toegankelijk repertoire voor een groot publiek sloot de koers van Introdans naadloos aan bij het toenmalige kunstbeleid. Sociale en geografische cultuurspreiding was het toverwoord in de jaren zeventig, toen er nog volop subsidies werden verstrekt. De ene na de andere schouwburg kwam gereed. “Ik geloofde er heilig in dat dans een zo groot mogelijk publiek moest vinden”, zegt Focking, “en dat doe ik nog steeds. Wij hebben bewezen dat de laag van de bevolking die voor dans te interesseren is, breder is dan men dacht.” Wiggers voegt daaraan toe: “Dans werd in Nederland gezien als een vies, onheilig gebeuren. Tot ver in de jaren zeventig zijn onze voorstellingen nog verboden op scholen. Dan kwam de rector in eigen persoon vertellen dat het afgelopen moest zijn.”

Plannen voor de toekomst zijn er genoeg. Er moet meer live-muziek bij de voorstellingen komen, en er moeten meer choreografen van buiten worden aangetrokken. Ook een eigen opleiding behoort al jaren tot de wensen. “Voor jonge choreografen zou het assistentschap moeten bestaan, zoals dat bij toneel gebruikelijk is met regie-assistentie. Een stage van een dansopleiding duurt maar een maand, zo leer je niets,” aldus Focking.

“Het idee is ontstaan, dat het slecht gaat met de Nederlandse dans. Dat is overdreven. Er staat nu eenmaal niet elk jaar een William Forsythe op. Ook de publieke belangstelling kent golfbewegingen. Blijkbaar zitten we nu in een dal. Wat in die 25 jaar het meest veranderd is in de dans is de regelgeving”, zegt Focking, die in de beginjaren zijn functie van produktieleider zelf moest uitvinden. “Er zijn te veel regels, wetten en commissies. Driekwart van mijn tijd gaat daar aan op.” Wiggers: “Er zijn dansers, die om tien voor vijf op hun horloge kijken en er zijn er, die vragen of ze het nog een keer mogen doen. De horloge-kijkers zijn slachtoffer van de regels. Je moet de passie behouden, daar draait het om.”