In koelkasten wachten embryo's op hun geboorte

Robert Vernooy, De tijd van de gesel. Contact, 191 blz., ƒ 34,90.

'Verbeelding, wie kon zich daar nou nog iets bij voorstellen?', zo luidt de wat ongeduldige vraag die een van de personages van Robert Vernooy zich stelt in De tijd van de gesel. Hij leeft in een wereld waarin verbeelding er niet meer toe lijkt te doen: in Nederland, maar dan over een jaar of twintig, dertig. Hare Majesteit is vervangen door Zijne Majesteit, de supermarkt door de cybermarkt, de gewone snelweg door de elektronische. Geld is bijna niet meer in omloop ('alleen off-liners betaalden nog contant'), de AOW en de bijstand zijn afgeschaft, bedrijvige kinderen zijn interactief, de telefoon heeft plaats gemaakt voor de videofoon en in koelkasten wachten 'pre-embryootjes' op een geschikt moment voor hun geboorte. Alles is gemechaniseerd, zelfs de liefde. Als een man een vrouw een liefdesdienst bewijst, dan heet het dat hij haar heeft geformatteerd. Zij bedankt hem, op haar beurt, voor zijn 'input'.

Ook voor lezers die nog niet aangesloten zijn op 'het net' is deze roman gemakkelijk te volgen. Vernooy bedrijft geen echte science fiction. Hij speelt met bestaande begrippen uit de gedigitaliseerde wereld en voegt er, met kennelijk plezier, nog een aantal van eigen vinding aan toe. Het sleutelwoord in het boek is 'virtueel'. Men studeert aan de Virtuele Universiteit, onderhoudt virtuele vriendschappen, wisselt virtuele intimiteiten uit en maakt virtuele reizen, al is niet iedereen even gelukkig met zoveel ontastbaarheid.

Net als in zijn vorige roman, De tedere tirannie (1992), voert niet één denkrichting de boventoon. Het is juist de botsing tussen twee werelden of opvattingen, die er zowel de grap als de ernstiger te nemen kracht van uitmaakt. Oud en nieuw, echt en virtueel, massa en individu staan hier met elkaar op gespannen voet. Dat geldt ook voor de roman als geheel, die modern aandoet door het gegoochel met computerterminologie, maar tegelijk ouderwets door zijn jongensboekachtige karakter.

De tijd van de gesel is een vrij simpele, maar ook aandoenlijke, want min of meer geëngageerde avonturenroman. Hij doet op een indirecte manier een beroep op onze medemenselijkheid. Vernooy speelt hier met de uitdrukking 'de gesel van de tijd'. De ouderdom, dat zou je de gesel van de tijd kunnen noemen. Het is het lot van ieder mens om oud te worden, met alle mogelijke gebreken van dien. In dit geval zijn het niet de lotgevallen van het individu, die de aandacht krijgen, maar wordt er alleen gekeken naar het collectief dat aan oudworden onderhevig is: de groeiende groep bejaarden, de zogeheten grijze golf, die in toenemende mate afhankelijk is van jongere generaties.

De kwade genius in de roman lijdt aan wat hier gerontofobie wordt genoemd. Hij hoopt 'de tijd van de gesel' te kunnen inluiden, waarin bejaarden, een soort sprinkhanenplaag in zijn ogen, na toedoening van een geniepig virus, wereldwijd het loodje zullen leggen. Dan zal er voor de rest van de wereldbevolking meer ruimte zijn. Tegenover deze kwade genius staat uiteraard de goede held van het verhaal, een ex-commando met een saaie ambtenarenbaan, die zijn kans schoon ziet om een mooie daad te stellen. Met gevaar voor eigen leven reist hij naar Egypte, waar hij, met behulp van de modernste technische snufjes, een mondiale tragedie hoopt te voorkomen. Het is een smakelijk verhaal dat Vernooy vertelt, met een hoog Batmangehalte: laserstralen, explosies, griezelige experimenten in een laboratorium, en het onvermijdelijke onderwaterduel met de schurk tot slot, dat glansrijk door de held wordt gewonnen.

Als in de epiloog blijkt dat zijn avonturen toch meer tot de virtuele dan tot de echte werkelijkheid gerekend moeten worden, lijkt dat een anti-climax. Maar misschien is het juist wel geruststellend dat ook in een elektronisch tijdperk de verbeelding nog altijd oppermachtig is.