In duizend woorden

'Ze zeggen dat ik er nooit kom als ik niet een roman schrijf. Geen schetsen, maar een roman. Allo dan maar. Ik heb nu iets in m'n kop, dat me wel lijkt.' Dat schreef Nescio, pseudoniem van J.H.F.Grönloh, in een notitie van 30 december 1918. Hij had al een duidelijk idee hoe zijn eerste roman er uit zou zien.

Het zou een liefdesgeschiedenis moeten worden, natuurlijk. 'De kopers willen een geschiedenis en ik wil van alles zeggen, dat in me ronddraait. Ik denk dat we allemaal tevreden zullen zijn.'

De roman is er, zoals we weten, nooit gekomen, en Nescio is ook nooit helemaal tevreden geworden. Maar de kopers hebben inmiddels geen klagen. De verkoop van het vorige week verschenen Verzameld Werk van Nescio met meer dan duizend bladzijden oorspronkelijk werk van de in 1961 overleden schrijver heeft alle records gebroken. Voordat het boek was verschenen waren bij voorintekening al bijna vierduizend exemplaren verkocht. Alleen al in de winkel van Amsterdamse boekverkoper Ko van Leest lagen het afgelopen weekend honderdtwintig prijzige boeken op hun kopers te wachten.

Volgens een van Nescio's uitgevers, Wouter van Oorschot, is dit een unicum in de uitgeefgeschiedenis. Normaal verkoopt hij van bijzondere uitgaven bij voorintekening een paar honderd exemplaren. Nescio's andere uitgever, Nijgh & Van Ditmar, weet zich te herinneren dat van het Verzameld Werk van Bordewijk van tevoren ruim duizend stuks werden verkocht. En als Nescio nu nog heel lang onverkrijgbaar was geweest - maar nee: de paperbackeditie van Nescio's belangrijkste werk, de bundel De uitvreter/Titaantjes/Dichtertje/Mene Tekel,-wordt door Nijgh elk jaar trouw herdrukt.

Des te schrijnender is het om in het Verzameld Werk te lezen hoe veel moeite Nescio tijdens zijn leven heeft gedaan om zijn werk verkrijgbaar te laten zijn. In het commentaar aan het eind van het eerste deel geeft de bezorgster Lieneke Frerichs een treurig makend overzicht van de publicatiegeschiedenis van de verhalen. Veel uitgeverijen zijn in de loop der jaren in Nescio geïnteresseerd geweest - zijn beperkte oeuvre heeft in de loop van deze eeuw maar liefst vijf uitgevers gehad - maar erg hard hebben de meeste niet gelopen voor hem.

Tijdens een boottochtje over de Vecht met de familie van de schrijver citeerde redacteur Vic van de Reyt van Nijgh & Van Ditmar vorige week de klaagzang die Nescio in 1946 aan zijn voorganger schreef nadat die weigerde De uitvreter ... te herdrukken: 'De verkiezingen zijn nu voorbij, en alle boeken zijn nu zowat herdrukt. De Camera (al twee maal), ouwerwetse boeken als De kleine Johannes, zelfs de Handleiding voor den Glazenmaker enz. Gaarne zal ik van u vernemen of u er thans voor voelt, tot een herdruk van mijn boekje over te gaan.' Nescio wees erop dat er naar zijn idee sinds de bevrijding nooit belangstelling voor zijn werk was geweest: 'het valt mij enigszins moeilijk, deze situatie aan te zien.'

Over de uitgave van nieuw werk hoefde de schrijver tegenover Nijgh & Van Ditmar al helemaal niet te beginnen. In 1942 had hij uit zijn verspreide schetsen een selectie voor een tweede boek gemaakt, dat in 1961 in gewijzigde vorm onder de titel Boven het dal zou verschijnen, maar die wilde zijn uitgever niet eens inzien. Een dergelijke uitgave, schreef men bits, zou door 'papierschaarste' ondenkbaar zijn.

Gelukkig hadden de schrijvers Fred Batten en Adriaan Morrien, geïnspireerd door de ideeën van Forum, in 1946 meer oog voor de betekenis van Nescio. Voor De Bezige Bij zetten zij na de oorlog samen met de vorige week overleden boekhandelaar A.A. Balkema de reeks 'Het Zwarte Schaap' voort, en zij vroegen de inmiddels gepensioneerde schrijver of hij geen korte tekst voor hen had. Nescio had bij zijn eigen uitgever inmiddels genoeg meegemaakt om daar, zij het voorzichtig, op in te gaan. En hij was zakenman genoeg om zich duur te verkopen. Verder dan drie verhalen uit Boven het dal wilde hij voorlopig niet gaan, schreef hij. 'Wij kunnen elkaar thans in zaken leren kennen.'

De herwaardering die door Morriën en Batten werd ingezet, zou van korte duur zijn. Hoewel de drie verhalen onder de titel Mene tekel goed werden besproken en verkocht, belandde de herdruk in de ramsj. Tijdens het boottochtje op de Vecht vertelde Nescio's dochter Miep Boas-Grönloh hoe haar vader in die dagen thuiskwam. “Nu ben ik echt beroemd,” moet hij hebben geroepen, “ik lig voor een dubbeltje bij de Slegte”.

Nescio zelf vond zijn kortere schetsen het meest geschikt voor nieuwe lezers die zijn andere werk nog niet kenden. Over 'De uitvreter', 'Titaantjes' en 'Dichtertje' schreef hij in 1943 op een bewaard gebleven fiche: 'das kommt nur einmal, das kommt nicht wieder'. Maar hij vervolgde: 'Wilt u mijn werk laten lezen aan iemand die er nog niets van kent, geef hun dan eerst dit boekje (het latere Boven het dal, R.M.) in handen.'

Het zou nog tot 1961 duren voor de door Nescio in de oorlog verzamelde losse schetsen als boek werden uitgebracht. Toen Nijgh & Van Ditmar in 1954 eindelijk tot een herdruk van De uitvreter... overging, besloot men daar de door de Bezige Bij verramsjte verhalen uit Mene Tekel aan toe te voegen, maar in het hele manuscript waaruit ze afkomstig waren was niemand geïnteresseerd. Hoe uitgever Geert van Oorschot ten slotte toch wat met de voor een deel al in de vorige eeuw geschreven tekst besloot te doen, schetst Lieneke Frerichs in haar verantwoording.

Het is een ontluisterend verhaal dat een goede indruk geeft van de Nederlandse uitgeversgewoonten. Tot voor kort werd uitgegaan van een versie die ooit door Geert van Oorschot in de wereld moet zijn geholpen. Mevrouw Grönloh zou in die versie in 1956, tijdens een van de vriendschappelijke bezoekjes van de uitgever, een paar notitieboekjes aan hem hebben laten zien. Op Van Oorschots vraag of er niet nog meer was, zou ze een pakje te voorschijn hebben gehaald dat Nescio al in de oorlog had klaar gelegd voor als hem iets overkomen zou. Van Oorschot zou dat toen meteen hebben willen uitgeven.

Lieneke Frerichs laat nu zien dat de oude Van Oorschot zijn rol belangrijker heeft gemaakt dan hij in werkelijkheid was. Op grond van mededelingen van Therèse Cornips, die via haar man Chris van Geel met de schrijver bevriend was, toonde Van Oorschot zich aanvankelijk nauwelijks in Nescio geïnteresseerd. Nescio had Cornips gevraagd een verhaal uit te tikken dat hij onder het pseudoniem 'Innocens' wilde publiceren en dit had ze aan Van Oorschot doorverteld. De uitgever zou een snelle blik op het typoscript hebben geworpen, en hebben gezegd: “'t Lijkt me niks.”

Pas toen Nescio's vrouw en zijn dochter Miep later op zoek naar ander ongepubliceerd werk van de schrijver gingen 'om hem uit zijn apathie te halen', begon de stemming bij Van Oorschot op te klaren. Maar het boek liet nog altijd op zich wachten. Pas zeer kort voor zijn dood, nadat familieleden, redacteuren en bezorgers, uitvoerig hadden overlegd wat wel en niet voor publicatie geschikt zou zijn, verscheen Boven het dal en werd de herwaardering van de inmiddels bijna vergeten schrijver ingezet.

Een niet gering probleem was dat een deel van de verhalen uit het nieuwe boek, de reeks Mene tekel, inmiddels in de door Nijgh herdrukte De uitvreter... waren opgenomen. Lieneke Frerichs laat in haar toelichting zien hoe Van Oorschot dit probleem op een typisch Van Oorschottiaanse manier heeft opgelost. Toen 'de oude Geert' na veel dreigementen van Nijgh & Van Ditmar werd gedwongen de verhalen voortaan in nieuwe drukken achterwege te laten, besloot hij simpelweg de drukvermelding achterwege te laten. Hij overtrad doelbewust de wet, maar maakte het zijn concurrenten vrijwel onmogelijk om dat te bewijzen. Alle herdrukken van Boven het dal, zo schrijft Frerichs, zijn fotomechanische reproducties geweest van de eerste druk van 1961.

Nescio groeide ondertussen uit tot een van de weinige nog gelezen Nederlandse klassieken. Voor de oude Van Oorschot voldoende reden om zijn concurrent Nijgh & Van Ditmar, bij wie de rechten op De uitvreter... berustten, nog zo lang mogelijk zwart te blijven maken. In een door zijn zoon Wouter op de Vecht voorgelezen brief uit 1967 schreef hij de erven Nescio, dat Nijgh zijn rechten op het werk vast wel zou willen overdragen. Van Oorschot in zijn brief: 'Het werk hoort in het fonds van Nijgh & Van Ditmar niet thuis.'

Met een feestelijk gevierde gezamenlijke uitgave van het Verzameld Werk kon deze maand eindelijk de vrede tussen de beide uitgeverijen worden getekend.

    • Reinjan Mulder