Huizen die vliegen als Dakota's; De hemelbestormende schilderijen van Giambattista Tiepolo

De Italiaanse schilder Giambattista Tiepolo schilderde altaarstukken, wandschilderingen en portretten, maar kreeg pas vleugels als hij letterlijk de aarde losliet. Op zijn plafondschilderingen lijkt de zwaartekracht niet te bestaan. “Het hele plafond is een schommel geworden, vanwaar men wendbaar als een vogel in alle windstreken zijns weegs kan gaan.”

Tot 20/10 in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Tot eind november in Ca' Rezzonico, Venetië.

Hij wist niet beter of er moest gewerkt worden. Altijd en overal. Tijd om een dagboek bij te houden was er niet. Babbeluurtjes in deftige kringen liet hij graag aan zich voorbijgaan. Niet zijn persoon, maar dat wat hij maakte was zijn zelfpromotie. In de winter kwam de olieverf aan de beurt, en in de zomer, als het vocht in muren en plafonds was opgedroogd, werd het weer tijd voor fresco's.

Zijn opdrachtgevers kregen exact waar ze om vroegen. Op voorwaarde dat het gevraagde honorarium werd betaald, en dat er in fiks tempo kon worden doorgeschilderd, de rest deed er niet toe - behalve de familie thuis natuurlijk, Cecilia en tien kinderen. En het is dankzij die tomeloze werkdrift en die onvoorstelbaar hoge produktie, dat kerken en palazzi in Italië en musea in Duitsland, Nederland en Amerika nu uitgebreid kunnen herdenken dat driehonderd jaar geleden Giambattista Tiepolo (1696-1770) werd geboren, de laatste, grote maestro van de Venetiaanse schilderkunst.

Tiepolo was bovenal een hemelbestormer. Mensen, dieren en dingen liet hij langs het zwerk scheren alsof de zwaartekracht was afgeschaft. Paarden en praalwagens denderen van de ene naar de volgende nevel. Zelfs huizen kunnen stuntvliegen als dakota's. Het regent in dat luchtruim nooit, en onweer is verboden. Vaak is het daarboven zo blauw als vergeet-me-nietjes, maar het kan er ook zo geel zijn als abrikozen en zo rood als bessensap; kleuren die weten hoe ze een zonsondergang tot kitsch moeten verheffen. En mochten er toevallig wat wolken voorbijdrijven, dan doen ze dienst als watten luchtbedden of als de meest comfortable fauteuils die de kosmische bewoners zich kunnen wensen.

Niet alleen de plafonds waren het werkterrein van Tiepolo. De Kerk en burgerij wilden ook zijn altaarstukken, portretten en wandschilderingen hebben. De hemel staat de heilige Catharina en Johannes de Doper bij met bazuinende cherubijnen. Nog even en de welkome dood maakt een einde aan de gruwelijke martelingen van heilige Agatha.

Maar, hoe empathisch dat martelaarschap ook werd verbeeld, Tiepolo zelf kreeg pas vleugels als hij letterlijk de aarde losliet. Niet in zijn altaarstukken, maar schilderend langs die plafonds kwam hij in kleur en beeld letterlijk en figuurlijk dichter bij God terecht. De kleuren werden, mede dankzij dat transparante fresco-effect, serener of juist stralender. Boven durfde hij blijkbaar meer te verbeelden dan beneden, alsof de immense ruimte die hem ter beschikking stond, ook in zijn hoofd een verruimend effect had.

Vanuit die stratosfeer kijken nu antieke helden, bijbelfiguren en alle mogelijke deugden en personificaties op ons neer. Zo blank als hun huid is, zo gewichtsloos is hun lichaam. Ze hebben ongetwijfeld medelijden met dat volk beneden hen, dat dagelijks zijn best moet doen om toch vooral goed in zijn vel te zitten. Die kopzorg is hen vreemd. Zelfs als ze stevig op hun benen staan, gehuld in feestelijke, zware stoffen, houden ze iets vlinderachtigs. Flirtende vlinders, soms, want godinnen als Venus mogen ook naakt op de wolken plaatsnemen, poedelend in goudborduursels en koningsblauwe weefsels.

Tiepolo's Franse tijdgenoten, zoals Boucher, Fragonard en Watteau lieten eveneens hun mythologische figuranten een beetje boven de grond zweven. Ze huppelen verliefd van eiland naar eiland, schommelen tussen het lover en maken diezelfde hoffelijke pasjes en gebaren. Maar ze komen niet echt los van de grond. Op de spektakelstukken van Tiepolo is elke verbinding met de aarde rigoureus verbroken. Het hele plafond is een schommel geworden, vanwaar men wendbaar als een vogel in alle windstreken zijns weegs kan gaan. Een enkeling, in het Ca' Rezzonico in Venetië, waar nu een omvangrijke Tiepolo-tentoonstelling is ingericht, kreeg zelfs libellenvleugels aangemeten. Zo waarheidsgetrouw geschilderd, dat je als restaurateur onherstelbare schade aan het vliegvermogen zou kunnen aanrichten. En altijd suist er in de buurt wel zo'n engelenschare voorbij, die al vanaf de middeleeuwen bereid is om in het wolkendek ten alle tijde hand- en spandiensten te verlenen.

Het kan niet anders of dat wijdverspreide verlangen naar een leven na dit leven moet Tiepolo goed hebben gekend. Hij nam er alleen geen genoegen mee. Waarom zou je dat paradijs uitstellen? Aangezien we toch niet weten waar we precies op wachten, kunnen we er beter nu alvast maar een genotzuchtig festijn van maken, een oogverblindend voorgeborchte, tussen leven en sterven.

Wiplala

Tiepolo heeft zijn tussenhemelen ingericht met trappen en marmeren zuilen, met balustrades en draperieën, om het trompe l'oeil-effect tot een summum op te voeren. Niets weerhoudt hem ervan al die elementen samen met een vergezicht te vervlechten. Want elk Gesamtkunstwerk laat zich op het bovenaardse projecteren. Vraag maar aan een kind wat het in de wolken ziet, en het herkent God zelve, in gezelschap van Wiplala en een aquarium.

Ook menige 'laag-bij-de-grondse' historieschildering komt in de buurt van dat voorgeborchte. Dan spelen tussen de paleisruïnes en de zeilende koopvaardij, helden en stervelingen hun geschiedenis na. De Schwarzenegger-achtige Alexander de Grote ontvangt de bange familie van de overwonnen Perzische koning Darius; Cleopatra laat ten bewijze van haar rijkdom en arrogantie even een parel in haar wijnglas glijden. En of het nu de bijbelse Rachel of de Romeinse heerser Scipio is, elk weet zich omringd door een elegante hofhouding of familiekring.

De meeste figuranten lijken betrapt in hun doordeweekse beslommeringen. De hoofdrolspelers krijgen natuurlijk het volle licht, maar de anderen doen stuk voor stuk gelijkwaardig mee. Een peuter hapt net in een peertje als een bediende even bukt om iets op te rapen; een stalknecht houdt een temperamentvol paard in toom als een van de zwarte bedienden terstond wegloopt om een wijnkaraf te vullen. En het zijn die terloopse, zo knap gearrangeerde bezigheden die je doen geloven dat er 'moments suprêmes' waren waarop Tiepolo als een skydiver langs die volmaakte fragmenten uit de geschiedenis vloog om ze ons in verf na te kunnen vertellen.

Denk nu niet dat men in de buurt van het Arsenale in Venetië, waar Tiepolo aanvankelijk woonde, dames en heren in diezelfde knisperende roze zijde en dat zachtblauwe fluweel liepen te flaneren. Men ging weliswaar stijlvoller gekleed dan nu, maar het was beslist niet, zoals bij Tiepolo, elke dag Prinsjesdag. Zijn haute couture dateert uit de zestiende eeuw, toen Veronese ook zo zijn eigen schilderkunstige wereld ontwierp. Het Laatste Avondmaal, bijvoorbeeld, veranderde hij in een staatsbanket. Een ontspannen avondeten dat met een vrolijke sisser kan aflopen.

Tiepolo heeft zich thuisgevoeld bij Veronese, diens motieven, bij het licht en dat oogstrelende kleurgebruik. Hij zou zijn best doen om hem te evenaren. Die ambitie begon voor de koopmanszoon op veertienjarige leeftijd bij de Venetiaanse schilder Gregorio Lazzarini. Bij hem leerde hij wat geschiedenis was en wie zich zoal ophield op de Parnassus. Een trage schilder bij nader inzien, die Lazzarini, een beetje saai en ouderwets ook. Reden voor Tiepolo om na een nuttige tijd verder te gaan zoeken. Hij kwam bij de meer sculpturale modellen van Giambattista Piazzetta terecht en hij keek ook goed naar het heftige clair-obscur van Caravaggio, naar de etskunst van Rembrandt en Castiglione.

Tiepolo's carrière is vanaf zijn twintigste levensjaar linea recta bergopwaarts gegaan. Hij kreeg opdrachten voor schilderingen in Udine, Milaan, Vicenza, Bergamo, en natuurlijk in Venetië zelf, waar nog steeds veel van hem te zien is. In 1736 nodigde zelfs de Zweedse koning Frederik hem uit om zijn slot in Stockholm te komen versieren. Die vorst wilde voor een dubbeltje op de eerste rij zitten - en ja, dan had je aan Tiepolo een verkeerde. Hij weigerde en zijn trots zou worden beloond met een andere uitnodiging. Eervoller en genereuzer. Met zijn beide zonen, Domenico en Lorenzo, in de leer voor hetzelfde ambacht, vertrok hij naar Duitsland, naar de prins-bisschoppelijke Residentie in Würzburg, niet ver van Stuttgart.

Leergierig

Inderdaad, er moet ver gereisd worden om Tiepolo op z'n best te zien. In Nederland is geen enkel meesterwerk voorhanden. Het Rijksmuseum bezit, wat olieverf betreft, twee eenvoudige ovalen - en daar moeten we het zo'n beetje mee doen. Daarom stelt Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam nu ter viering van dat geboortejaar zo'n honderddertig tekeningen en grafische bladen tentoon, van Tiepolo en diens twee zonen.

De laatsten hebben zich om leergierige en, later, om commerciële redenen vooral beziggehouden met het natekenen van hun vaders werk. En die kopieerkunst heeft de Nijmeegse kunsthistoricus Bernard Aikema ertoe gebracht om menige tekening van de vader in de begeleidende catalogus van de huidige tentoonstelling toe te schrijven aan diens zoon Domenico. Tiepolo's voor-studie is volgens hem dus Domenico's na-studie. Een verandering waar niet iedereen gelukkig mee zal zijn.

Dankzij particuliere collectioneurs als Franz Koenigs en Frits Lugt en de museale verzameldrift van I.Q. van Regteren Altena en D. Hannema is in Nederland nog redelijk veel op papier te zien. Dat vooral Tiepolo's prentkunst compleet vertegenwoordigd is, komt door een omvangrijke koop die in 1950 het Rijksprentenkabinet deed en door J.C.J. Bierens de Haan, die het Boijmans in totaal 30.000 prenten van vele kunstenaars naliet - nog steeds een ongelofelijk getal.

De huidige tentoonstelling biedt een veelzijdige selectie van dat tekenwerk. Niets doet vermoeden dat de maker van die A4-tjes in ongeveer een jaar tijd zevenhonderd vierkante meter plafond wist te beschilderen. Er hangen karakterkoppen, landschappen, karikaturen en, hoe kan het anders, ruimtevaarders, die Tiepolo in razend moeilijke verkortingen pijlsnel wist neer te pennen.

Zet een gehurkt kind op een tafel, ga zelf op de grond zitten, kijk naar boven en zie hoe lastig het is om al tekenend die vooruitstekende knietjes niet als bloemkolen op papier te krijgen. Tiepolo kon elke verkorting aan, alsof hij in de keverrol van Kafka niets anders deed dan huizenhoog tegen mensen opkijken. Daarnaast had hij een enorme routine ontwikkeld, want tekenen was hetzelfde geworden als eten en drinken; geen vak maar een manier van zijn.

De pen zwierde met bruine inkt bochtig over het papier, stipte even met een bijna-vlek het begin van een plooi aan, om dan, iets verderop, diezelfde lijn als een bladnerf te laten weglopen. Geen gestuntel, geen correcties; dankzij de beheersing en de zelfverzekerdheid van iemand die weet wat hij waard is, kon er in vergelijking met de bladen van Domenico en Lorenzo ook een meer trefzekere èn een meer gevoelige tekenkunst ontstaan.

Hoe gewild Tiepolo's werk ook was, veel bladen hield hij in eigen bezit. Ze kwamen op het atelier in een soort beeldarchief terecht. En uit dat assortiment van houdingen, perspectieven, koppen en landschappen, stelde hij dan later weer die kolossale schilderingen samen. Zodoende kon hij van die levendige, gevarieerde gezelschappen componeren en hier en daar weer eens zijn favoriete dieren tevoorschijn halen, zoals paarden, struisvogels, slangen, honden, papegaaien en uilen. Als het zo uit kwam, nam hij een aapje over van een andere graficus. Daar werd toen niet moeilijk over gedaan.

De razendpopulaire etsen hebben in tegenstelling tot de tekeningen vaak een mysterieuzer, morbide karakter. Met een burijn, dun als een speldenpunt, trekt in de fijnste stippen en arceringen bijvoorbeeld de dood even langs. Hij zit als een kadaver langs de weg, omringd door een schurftige hond en beestenschedels. Een nog springlevend gezelschap komt met uitgestoken nek nieuwsgierig een kijkje nemen - alsof men vragen wilde: 'Zeg, vertel eens, hoe is het nou om zo dood te zijn?'

Tiepolo lijkt middenin een doorsnee Italiaans landschap occulte toneelscènes te hebben geëtst die zich als zoekplaatjes laten lezen. Op veel bladen is een uiltje present, symbool voor kennis en duisternis. Het kijkt vanuit de verte toe - op een eenzame wijsgeer, de begrafenis van Pulcinella - en denkt er zo het zijne van. Ergens anders, onder een hek weggefrommeld, laten zich twee piepkleine paarden en krijgers ontdekken, dezelfde die meer dan levensgroot langs het plafond kunnen galopperen. En god mag weten waarom die magiërs, rabbi's en saters op de etsplaat terecht zijn gekomen. Het verhaal dat alles verklaart, moet nog geschreven worden.

Behanger

Lange tijd is de fantast Tiepolo een 'décorateur frivole' genoemd, een soort behanger die schilderen kon - bekwaam, maar niet al te briljant. Zijn tijdperk was de late barok, een woord dat meteen aan overdaad en tierelantijnen doet denken, en aan zo'n Hollandse zinsnede als 'mag het een beetje minder'. Wie de plafonds van die prins-bisschoppelijke Residentie in Würzburg aftast, een soort Versailles waar vader en zonen Tiepolo in 1751 naar toe trokken, prijst zich gelukkig dat de schilder niets van die Hollandse benepenheid begrepen heeft.

De cd-rom, die men bij de Boijmans-tentoonstelling kan bekijken, onthult hoe Tiepolo zijn hele beeldarchief moet hebben leeggehaald om in dit achttiende-eeuwse paleis van architect Balthasar Neumann zichzelf te overstijgen. In de zogenaamde Kaisersaal overwint Apollo met zijn schimmels elke hindernis in het heelal om Beatrijs in razende vaart bij haar toekomstige echtgenoot Frederik I Barbarossa af te leveren. In een omlijsting van gouden stucwerk zien we later hoe glorieus hun twaalfde-eeuwse huwelijk wordt ingezegend.

In het trappenhuis van diezelfde Residentie demonstreert Tiepolo nog eens dat er niets, helemaal niets op aarde was, dat hij in verf niet - mooier dan de werkelijkheid - zou kunnen weerspiegelen. Hij schildert daar de vier windstreken, de vier continenten Amerika, Azië, Europa en Afrika. Aan elk continent is een hymne gebracht. Omstuwd door blanke pioniers, geschoten wild en drenkelingen berijdt Amerika in de gedaante van een zwarte, met veren getooide vrouw, een enorme krokodil. Afrika associeerde Tiepolo met een kameel en alweer zo'n onverzettelijke, Nubische vrouw, nu in gezelschap van vele getulbande figuren, parasols en tentdoek. Europa kreeg de meeste ruimte toebedeeld met onder meer glorieuze architectuur, schilderende en musicerende muzen. Tussen de enerverende Europese bedrijven door heeft Tiepolo ook zichzelf en zijn zoon Domenico maar eens opgevoerd. Een wat schrale man met een langwerpig gezicht, een gekromde neus en bijna vrouwelijke ogen. Zoon Domenico lijkt sprekend op een ongeschonden jonker.

Bijna tien jaar later wilde Karel III van Spanje ook zoiets moois aan zijn plafonds, toegespitst op zijn eigen monarchie, natuurlijk. En er moest ook aan altaarstukken en mythologische voorstellingen worden gewerkt. Met enige tegenzin reisde de inmiddels bejaarde Tiepolo samen met zijn zonen in 1762 naar Madrid af. Vandaar stuurde hij zijn vrouw af en toe cadeaus, parels en kanten lingerie.

Cecilia zou hem nooit meer terugzien. Na vele koninklijke opdrachten stierf Tiepolo plotseling. En dat kwam de Spaanse koning eigenlijk wel goed uit. Hij nam gauw nieuwe schilders in de arm om een aantal altaarstukken van Tiepolo te laten vervangen. Misschien heeft Tiepolo zich daarover in de hemel nog even zitten opwinden. Het is waarschijnlijker dat hij boven Madrid meteen zijn biezen heeft gepakt, op zoek naar al die bewoners die hij van gezicht toch al kende.