Hoepsika wijst kinderen en volwassenen de weg

In de themahoek 'bang jongetje' op de vandaag geopende tentoonstelling Paul Biegel. Meesterverteller met een rovershart in het Letterkundig Museum in Den Haag, hangt een serie tekeningen van Carl Hollander waarop een wat miezerig jongetje steeds groener wordt. Wie de verhalen over de kleine kapitein en zijn vrienden op het schip de Nooitlek kent, weet dat het niet zozeer zeeziekte is die zijn gelaatskleur teweeg brengt, als wel angst.

Van alle bange jongetjes die Biegel schiep, is deze Toontje misschien wel de allerbangste.

Biegel is, na Annie M.G. Schmidt, de tweede schrijver voor kinderen waaraan sinds de opening van de permanente kinderboekententoonstelling in het Letterkundig Museum een grote expositie wordt gewijd. De keuze voor Biegel ligt voor de hand, niet alleen omdat de aard van zijn werk aansluit bij het thema van de aanstaande kinderboekenweek, 'Heksenketel' (van 2 tot 12 oktober), maar vooral vanwege zijn lange en indrukwekkende staat van dienst. Sinds zijn debuut op vijftienjarige leeftijd, een wat truttig verhaaltje over een ontevreden kabouter (verschenen achterop De Tijd in 1940), heeft de nu 71-jarige schrijver zo'n vijftig boeken geschreven. Hij ontving inmiddels bijna alle prijzen die Nederland op het gebied van jeugdliteratuur rijk is.

Meer dan bij eerdere overzichtstentoonstellingen in het museum is ernaar gestreefd de expositie voor zowel kinderen als volwassenen toegankelijk te maken. Met dat doel voor ogen is er gekozen voor een tweeledige opzet; er is zowel een thematische lijn over Biegels werk uitgezet als een chronologische, over zijn leven en het tot stand komen van zijn auteurschap. Bij de ingang wijst een immense rover Hoepsika, met flapperende roze cape en een glimmende degen, de bezoekers de weg langs de verschillende onderdelen.

Voor de thema's, die elkaar ten dele overlappen, zijn op verschillende plaatsen in de zaal nissen ingericht met beschilderde houten schotten. Zo komt de bezoeker langs een 'kabouter'-, een 'zee'- en een 'strijd'-hoek. De vitrines daarin hangen op kinderooghoogte, maar voor de chronologische lijn (met foto's, brieven en manuscripten) zullen kinderen moeizaam op hun tenen moeten staan. Dat is soms jammer, want wie zegt dat zij niet geïnteresseerd zijn in hoe de nu eerbiedwaardig grijze schrijver met zijn grote bruine ogen eruit zag toen hij jong was? Gelukkig is er een videofilmpje te zien waarin Biegel op elfjarige leeftijd, in een mal drollenvangertje, rondhupst door de tuin van zijn ouders bij hun deftige huis in Bussum.

Maar sommige geëxposeerde materialen in de vitrines voor volwassenen zullen kinderen inderdaad maar matig kunnen boeien. Er is een briefje bij van Godfried Bomans uit 1967 die Biegel waarschuwt, nadat hij zijn zevenjarige dochter een van zijn verhalen voorlas: “Echter, al meteen in de eerste de beste zin moest ik woorden als knoestig, drassig en stronk al uitleggen.”

Uit opengeslagen Donald Ducks en andere tijdschriften zoals de Margriet blijkt hoe veel van Biegels boeken aanvankelijk als feuilleton tot stand kwamen. Wat weinig aandacht is er, op de strip Het document van Venus na, voor wat Biegel maakte in de studio's van Marten Toonder. In interviews heeft hij meermalen gezegd dat hij daar heeft leren schrijven.

In het gedeelte van de tentoonstelling dat op kinderen is afgestemd ligt het accent op de illustraties bij de verhalen, van Carl Hollander natuurlijk, maar ook van Babs van Wely en van Peter Vos. Fiel van der Veen blijkt als enige zijn voorstudies en schetsen te bewaren (bijvoorbeeld van De soldatenmaker, 1994). Naast illustraties liggen er een opzet voor Nachtverhaal uit 1992 ('Kabouter. Tinnen kabouter? Tuinkabouter? Huiskabouter? Op zolder van oud huis') en de Gouden Griffel voor datzelfde boek.

Daarnaast zijn er speelse elementen zoals een koffer vol roversbuit. De goudstaven gaan vergezeld van briefjes met citaten uit Biegels boeken, zoals 'Goedemiddag dames en heren, uw goud alstublieft' van de beleefde Hoepsika. Op een muur hangt een enorm bord met de merkwaardige namen waarin de schrijver uitblinkt, 'Klixklaakt', 'Koningin Ziwieria' en 'Hip, Wip en Nipperdenipsi', bruikbaar als test voor hoe goed je thuis bent in het oeuvre.

Speciaal ter gelegenheid van de tentoonstelling verscheen in de serie 'Schrijversprentenboeken' bij uitgeverij Holland (in samenwerking met het museum) een nieuw deel over Paul Biegel, dat gelijk ook de catalogus van de expositie is. Het boek bevat een gedegen inleiding van Bregje Boonstra over Biegels leven en zijn oeuvre en een biografie in foto's. Ook verschijnt het eerste deel in de 'Pissebed-reeks' van het museum, een dichtbundeltje van Biegel getiteld Boekweitkorrels. Zelf noemt de schrijver de soms wat flauwe gedichten 'nonsens', geschreven 'met tong in wang'. Het met de hand gezette boekje is verkrijgbaar in een beperkte oplage van 350 exemplaren.

'Paul Biegel. Meesterverteller met een rovershart.' is van 14 september 1996 tot 13 januari 1997 elke dag te bezichtigen, behalve op maandag. Voor scholen is er een speciaal educatief programma. Het Letterkundig Museum, Prinses Irenepad 10, Den Haag. Inl. 070 3471114.