Het geval Van Gogh

Nathalie Heinich: The Glory of Van Gogh. Vertaald uit het Frans door Paul Leduc Browne, Princeton University Press, 218 blz., ƒ 67,-.

n de linker ventrikel van de hersenen van de componist Sjostakovitsj zat een granaatscherf uit de Tweede Wereldoorlog. Steeds wanneer de componist zijn hoofd schudde verschoof de splinter, drukte tegen de temporale linker hersenkwab en produceerde dan de meest wonderlijke, onbekende melodieën, die Sjostakovitsj vervolgens op papier zette. Ik had nooit iets van deze geschiedenis vernomen als ik niet een aantal jaren geleden een brief had gekregen van een psychiatrisch ziekenhuis. Het ziekenhuis was op zoek naar sponsors voor een internationaal kunstproject rond het brein van de kunstenaar. Er moest antwoord komen op de vraag of artistieke creativiteit een vonk is van het hogere ofwel 'een systeemstoring met kunstzinnige gevolgen'. Om de toekomstige sponsors een indruk te geven van de benijdenswaardige neuropathologie van de kunstenaar werd hen 'ter verlevendiging' een concertserie aangeboden, gewijd aan kamermuziekwerken die, zoals het werk van Sjostakovitsj, een relatie hebben met ziekte en hersenen.

Niet alleen neurologen en psychiaters hebben belangstelling voor kunst. Ook scheikundigen, endocrinologen, strafrechtjuristen en economen komen van tijd tot tijd met wetenschappelijke analyses van een meesterwerk. Vorig jaar konden drie onderzoekers met behulp van een computerprogramma aantonen dat het landschap achter de rug van de Mona Lisa is geïnspireerd op de oevers van de Arno, bij de brug van Buriano. In hetzelfde jaar verscheen de bundel Mulisch en de wetenschap waarin een radiosterrekundige, onder veel meer wetenswaardigheden, berichtte dat de borstels die de rails schoon houden bij de telescoop in Dwingeloo weliswaar lijken op keukenborstels, maar anders dan Mulisch suggereerde niet afkomstig zijn 'uit een huishoudwinkel in Dwingeloo', en niet 'met touwtjes bevestigd' zijn.

Van alle kunstenaars lijkt de schilder Vincent van Gogh de meeste aantrekkingskracht te hebben op wetenschappelijke onderzoekers. Het Van Gogh-onderzoek kent een lange traditie. In 1922 publiceerde de Duitse psychiater Karl Jaspers zijn studie Strindberg en Van Gogh, waarin hij op grond van Van Goghs brieven schizofrenie constateerde. Jaspers' diagnose werd het uitgangspunt voor een lange stoet van artsen die Van Goghs psychosen probeerden te duiden in relatie tot zijn werk. Syfilis, epilepsie, loodvergiftiging, hersenverweking, zonnesteek, iedere mogelijke aandoening werd geopperd en in heftig debat gewogen. De jongste mij bekende bijdrage aan het debat is de suggestie van de biochemicus Wilfred Arnold, dat Van Gogh zou hebben geleden aan de stofwisselingsziekte AIP, acute intermitterende porfyrie - een ziekte die tot ernstige symptomen kan leiden bij het drinken van grote hoeveelheden absint.

ij dit alles komt de vraag op of Van Gogh wel genezen had moeten worden, stel dat de juiste diagnose ooit gevonden was. George Steiner heeft onlangs in een Engels televisieprogramma voorgesteld om een bepaalde hoeveelheid erfelijke ziektes in stand te houden, zodat de mensheid verzekerd blijft van grote kunst. In Times Literary Supplement van 9 augustus geeft de geneticus John Turner toe dat hiervoor wel iets te zeggen valt, immers: “no manic depression, then no Van Gogh”. Maar Turner komt met een ontgoochelend tegenargument, dat ons overtuigt van de morele verplichting om te blijven zoeken naar geneesmiddelen en therapieën: “we have no right to insist on the suffering of [an artist] merely for our delight”.

In de afgelopen zomer arresteerde de politie twee organisatoren van een Van Gogh-expositie in het Bretonse Saint Malo. Buren van het stadhuis waar de expositie werd gehouden, kregen argwaan toen de kunstschat bij aankomst wat al te nonchalant werd uitgeladen. De expediteurs lieten de schilderijen regelmatig onbeheerd achter in een open vrachtwagen. Bij nader onderzoek bleek dat de Van Goghs waren geschilderd door negentiende-eeuwse zondagsschilders - de expositie had inmiddels duizenden bezoekers getrokken.

Nathalie Heinich, als socioloog verbonden aan het Centre National de la Recherche Scientifique in Parijs, heeft een boek geschreven over de Van Gogh-verering waarin ze dit voorval niet meer heeft kunnen opnemen, maar het past wel precies in haar beschrijving van de blinde pelgrimage van 'gelovigen' naar Van Gogh. In haar boek staan niet zozeer ziekte en lijden van Van Gogh centraal als wel ons delight, onze dankbaarheid voor al dat leed. Van Gogh heeft zijn leven voor ons gegeven, net als Christus en de martelaren. En net zoals wij Christus moeten eren om zijn 'kruisverdiensten', moeten wij onze schuld aan de schilder afbetalen door eeuwigdurende bewondering. Heinich biedt geen psychologische maar een sociologische benadering derhalve, een analyse van de Van Gogh-receptie: ze leest de kritieken, telt de tentoonstellingen en vergelijkt de aankoopprijzen. Zo leest ze in een veilingverslag van 1918 dat een originele Renoir werd verkocht voor 22.000 francs, een valse Van Gogh voor 18.000 francs. En in een eeuw tijd blijkt de prijs van de meest werken van Van Gogh toegenomen met 75.000 procent.

Bij alle aandacht voor geld, roem, schuld en boete is de kunstenaar Van Gogh in Heinichs boek vrijwel afwezig, maar die was door alle belangstelling al lang geleden uit het zicht geraakt. Toen de psychiater Françoise Minkowska in 1932 schreef dat Jaspers' studie haar had aangezet tot een benadering van 'het probleem Van Gogh', gaf ze daarmee duidelijk aan wat de verhouding was tussen de kunstenaar en de deskundigen die zich over hem ontfermden. De deskundigen hadden, ieder op grond van hun eigen expertise, een probleem gedefinieerd dat vanuit het gezichtspunt van de leek niet veel meer te maken had met het werk van Van Gogh.

De moeilijkheid met de sociologische benadering van Heinich is dat haar eigen werk deel uitmaakt van het verschijnsel dat ze wil beschrijven. Hebben de medici en de psychiaters het voordeel dat ze zich kunnen beperken tot de persoon van Van Gogh, Heinich beschouwt het geval Van Gogh, het hele circus, de mythevorming, de hype, de uit zijn krachten gegroeide Van Gogh-bibliotheek waarin nu ook haar boek thuishoort. Heinich had een mooi boek kunnen maken als ze zich bewust was geweest van haar eigen bijdrage aan het Van Gogh-circus; ze had haar fascinatie voor Van Gogh kunnen beschrijven, haar keuze voor het onderwerp kunnen toelichten. In plaats daarvan neemt ze haar toevlucht tot een listige kunstgreep die haar hele onderneming al op de tweede bladzijde van het voorwoord ongeloofwaardig maakt. De sociologie, schrijft Heinich, is nog steeds hevig verwikkeld in normatieve verwachtingen, en een sociologische aanpak loopt het risico te eindigen in een pleidooi voor of tegen de aanbidding van Van Gogh. Heinich noemt haar studie daarom een 'antropologie': van de lezers wordt een zelfde afstandelijke nieuwsgierigheid verwacht en een zelfde waarde-neutraliteit als wanneer ze verre volkeren zouden bestuderen. Dit is nu eens een heldere indeling in normatieve en waardevrije wetenschappen. Maar ik neem aan dat ik niet de enige ben die de wenkbrauwen optrekt bij de stellige bewering dat het westers onderzoek naar verre volkeren wordt gekenmerkt door 'detached curiosity'.

Hoe dan ook, Heinich heeft zich door haar bekering tot de antropologie de rol toegeëigend van neutraal wetenschapper, en haar persoonlijke bijdrage aan de mythevorming rond Van Gogh is niet langer aan de orde.

Van het oorspronkelijk in het Frans geschreven boek is nu een Engelse versie verschenen, The Glory of Van Gogh. Deskundigen van Princeton University, Columbia University en de University of Washington bejubelen het boek op de achterflap. Maar bij het lezen van de index krijgt men al gauw de indruk dat de pretenties schromelijk zijn opgeblazen. Bij 69 van de 446 namen ontbreekt de voornaam of initiaal en 258 namen zijn slechts in de noten terug te vinden. Dat laatste zou geen probleem zijn als ze in die noten een rol van betekenis speelden, maar vrijwel zonder uitzondering hangen ze er wat wezenloos rond in citaten. Wie, indachtig Karel van het Reve's wetenschapskritische oproep 'Zie ook onder Mozes', het trefwoord 'Moses' opzoekt, leest in een noot dat Philippe Junod schrijft: “In 1841, Millet portrayed himself as a hairy and bearded Moses”. Wie, lezend in de index, geïnteresseerd raakt in de relatie tussen Van Gogh en Dior, leest in een noot dat Vincent en Dior op de Engelse televisie overschat werden genoemd. En met precies diezelfde toelichting in precies diezelfde noot vinden we Virginia Woolf terug in de index. Benjamin Britten. Mozart. The Rolling Stones. Geloof me, het is nog veel gekker dan ik hier in kort bestek kan weergeven. De oorzaak voor zoveel onnozele, gebrekkige en soms zelfs onjuiste verwijzingen ligt waarschijnlijk in het feit dat in de index vooral namen van kunstenaars zijn opgenomen, en het gaat Heinich eigenlijk niet om de kunstenaars. De opvatting van Bataille is ook haar uitgangspunt: “Van Gogh behoort niet tot de kunstgeschiedenis”. Of, zoals ze in de conclusie genuanceerder schrijft, Van Gogh behoort niet exclusief tot de kunstgeschiedenis.

einich probeert te laten zien op welke manier de godsdiensthistorische belangstelling voor het martelaarschap, de psychologische belangstelling voor deviant gedrag, de hagiografische betrokkenheid op bewondering, de economische interesse voor ontwikkelingen op de kunstmarkt, en de godsdienstsociologische interesse voor relieken, pelgrimages en verzoening samenkomen in het geval Van Gogh.

Van Gogh belichaamde een nieuw model van 'de kunstenaar', schrijft Heinich. Door hem veranderde de status van kunst, de manier waarop zijn voorgangers werden beoordeeld en alle kunstenaars die na hem kwamen. Hij was de eerste kunstenaar wiens originaliteit niet tot grote schandalen leidde, zoals dat nog wel was gebeurd bij Courbet en Manet. Ook was hij geen miskend genie: de mythe van het publiekelijk onbegrip werd slechts verteld om hem tot martelaar te kunnen uitroepen, en vervolgens tot heilige. Volgens Heinich is van Gogh de eerste held van de moderne kunst: een protestantse heilige die geroepen was tot opoffering, versterving, onthechting en marginaliteit. Een 'heilige onschuld'. De hypothese van Van Goghs martelaarschap maakte zijn krankzinnigheid aanvaardbaar voor het publiek; door zijn leven te zien als een kruisgang laadde de gemeenschap een schuld op zich die alleen kon worden afbetaald door pelgrimage en prijsopdrijving. Zich vergapen aan de zonnebloemen werd een morele plicht.

Het was dit mechanisme, het Van-Gogh-Effect, dat een nieuw stereotype introduceerde, dat van de peintre maudit. Er waren, beaamt Heinich, wel eerder kunstenaars geweest die aan hetzelfde beeld beantwoordden, die gek waren of arm of drankzuchtig, maar Van Gogh was de eerste bohémien die school maakte. Van Gogh, aldus Heinich, veroorzaakte een paradigma-wisseling 'in the Kuhnian sense'.

Nu is dat een moedige bewering, maar betekent ze ook iets? Een Kuhniaanse paradigma-wisseling vindt plaats binnen een wetenschap, wanneer bestaande theorieën en begrippenkaders niet langer in staat zijn om problemen op te lossen of nieuwe feiten te verklaren. Na een ingrijpende crisis ontstaat dan een nieuw paradigma. Voor welk oud paradigma was het geval Van Gogh dan zo bedreigend dat het leidde tot een wetenschappelijke revolutie? Welke theorie bood niet langer plaats aan het Van Gogh Effect? In The Glory of Van Gogh zullen we het antwoord op die vragen niet vinden, want Heinich heeft al in het voorwoord besloten om niet in te gaan op de geschiedenis van het verschijnsel dat ze bestudeert. En dat is vreemd. Want hoe kun je de lezer laten zien dat iets het begin is van een nieuw paradigma, wanneer je het oude paradigma niet beschrijft? Een geïsoleerde casus is weinig overtuigend als historisch omslagpunt.

Mijn teleurstelling over Heinichs boek is de teleurstelling van de verwende lezer. Op de lijst van mijn vijf favoriete non-fictie boeken staat al zeker vijftien jaar Rudolf en Margot Wittkowers meesterwerk Born under Saturn, the character and conduct of artists: a documented history from antiquity to the french revolution. Vergeleken met deze overdaad aan gegevens en inzichten uit vele eeuwen kunstgeschiedenis moet Heinichs case-study wel tegenvallen. Born under Saturn geeft de geschiedenis van de kunstenaar als stereotype - duizenden jaren van professionaliteit en waanzin, verguizing en verafgoding. Alleen de index al leest als een essay. Onder het trefwoord artiest vinden we twee lange kolommen vol verwijzingen, die eindigen in het see also: “ambachtslieden, drank en gokken, minachting voor geld, gentleman-kunstenaars, homoseksualiteit, eerbetoon, introspectie, ridderschap, recht, krankzinnige kunstenaar, melancholieke kunstenaar, misogynen, neurose, non-conformistisch gedrag, Pazzia, persoonlijkheids-problemen, eigendom, Proto-Bohemien, werkloosheid”. Achter deze opsomming schemert het oude paradigma, vol theorieën over de peintre maudit, of wat de Wittkowers noemen: de vervreemde kunstenaar. Alle verklaringen voor het raadsel van de creativiteit komen hier ter sprake. Vanaf Plato's gedachten over mania tot aan Freuds analyse van Leonardo's kinderjaren. Van Aristoteles' bewering dat alle uitzonderlijke filosofen, politici en kunstenaars 'overduidelijk melancholiek' zijn, tot aan Lombroso's overtuiging dat het genie een van de vele vormen van gekte is, een overtuiging die werd gestaafd door de gangbare anekdotes over kunstenaars die tot scheppen kwamen na het oplopen van ernstig hersenletsel.

Had Heinich Born under Saturn gelezen, wat verwonderlijk genoeg niet het geval is, dan was ze aan een nieuw paradigma waarschijnlijk niet toegekomen.

Rijdend over Nederlandse wegen kan men gemakkelijk een vrachtwagen tegenkomen waarop in grote letters de tekst geschilderd staat: 'Kennistransport B.V. Hazeldonk NL'. Wie voldoende liefde voelt voor de wetenschap in al haar verschijningsvormen om nieuwsgierig te raken naar de aard van zulk transport, moet om de vrachtwagen heen rijden. Aan de zijkant staat geschilderd: 'Zelfkopiërend papier voor formulieren'. Zo nu en dan verschijnen er boeken waarvan de auteurs blijk geven van een Hazeldonkse wetenschapsopvatting. Kennis transporterend via zelfkopiërende papieren. The Glory of Van Gogh is zo'n boek.

athalie Heinich bespreekt het geval Van Gogh aan de hand van een eindeloze hoeveelheid citaten, die ze in extenso weergeeft, opdat ze weer door een ander geciteerd kunnen worden. Ze doet dat, zegt ze, met 'detached curiosity'. Rudolf en Margot Wittkower schrijven echter in hun voorwoord tot Born under Saturn over de keuze van citaten: “Niemand kan eraan ontkomen bevooroordeeld te zijn in wat hij belangrijk of verwaarloosbaar acht (...) en we onderschrijven graag het oordeel van Sir Kenneth Clark dat we in de kunstgeschiedenis, zoals in alle geschiedenis, schriftelijk bewijsmateriaal accepteren of verwerpen precies zoals het ons uitkomt”. Met andere woorden, de onderzoeker die gegevens verzamelt over het stereotype, stuurt het stereotype. Dat zou niet van zoveel belang zijn als het stereotype niet op zijn beurt de kunstenaar zou sturen. In Die Legende vom Künstler, een klassiek boek uit 1934 over de sociologie van de beeldende kunst, schrijven Ernst Kris en Otto Kurz over de manier waarop levensbeschrijving en levensloop elkaar wederzijds beïnvloeden. De biografie documenteert niet alleen het daadwerkelijke leven, maar formuleert ook het typische lot van de beroepsgroep. De levensloop van de kunstenaar vormt zich vervolgens naar dit typisch lot. Edgar Allan Poe is een bekend voorbeeld van een kunstenaar die zijn leven vormde naar het stereotype van het melancholieke en onbegrepen genie, een rol waarin hij, volgens de psychiater Ellenberger, 'uiterst succesvol was'. De socioloog Heinich heeft met The Glory of Van Gogh een boek geschreven dat een stereotype laat zien en dus, onbewust, een stereotype bevestigt. Iedere kunstenaar zal na het lezen van dit boek de eenzaamheid intrekken, de liefde afzweren, terpentijn drinken en heilig worden. En ik geef toe, als we in deze bespreking een beetje kritisch zijn geweest over de aanpak van Heinich, dan moeten we haar toch dankbaar zijn voor al het moois dat daaruit, tot ons groot delight, zal voortkomen.

    • M. Februari