Het gevaar Saddam

DE OORLOG MET Saddam Hussein escaleert. De Iraakse luchtverdediging schiet raketten af, Clinton stuurt Stealth-bommenwerpers. Saddam bedreigt Koeweit, minister Perry noemt Saddams minachtende woorden aan het adres van de Amerikanen “volstrekt onaanvaardbaar”. Hoe lang kan dit nog doorgaan voor de top van de ladder van dreigementen en beschuldigingen over en weer is bereikt?

Voor de regering-Clinton zijn er twee remmingen weggevallen, een internationale en een binnenlandse. Op het Verenigd Koninkrijk na vindt zij bij haar bondgenoten lauwe steun tot openlijke kritiek. Amerika's voornaamste partners uit de Golfoorlog, Turkije en Saoedi-Arabië, bekijken het spektakel vanaf de zijlijn. Washingtons vrienden hebben als gevolg van hun afstandelijke tot afwijzende houding invloed verloren op de Amerikaanse besluitvorming. De Amerikaanse publieke opinie, lange tijd zeer gereserveerd tegenover operaties overzee, jaagt nu de bewoner van het Witte Huis op. Saddam speelt met Amerika's trots, en zeker in de eindfase van de race om het presidentschap neemt hij een zware gok. Clinton moet laten zien dat hij de toestand in de hand heeft. Dat verdraagt geen verdere provocaties van de man die door de vorige president al eens met Hitler is vergeleken.

HOE SADDAM in elkaar zit noemen velen een raadsel. De Iraakse leider heeft getoond de kunst van het overleven te beheersen. Dat moedigt hem kennelijk aan steeds weer zijn grenzen te verleggen. Saddam is er onder meer in geslaagd de internationale inspecteurs om de tuin te leiden: onlangs moest worden toegegeven dat Irak nog over massavernietigingswapens beschikt, een existentiële bedreiging van Saddams buren en van Israel. In Irak zelf zijn er geen tegenkrachten die het regime tot de orde roepen, laat staan over het vermogen beschikken om het weg te vagen. De oppositie bevindt zich in het buitenland, is verdeeld en heeft als alternatief geen betekenis.

De regering-Clinton heeft vorige week een poging gedaan de crisis in te dammen. Met als alibi de Koerdische verdeeldheid bleek zij bereid zich neer te leggen bij de afloop van de burgeroorlog in het noorden van Irak. De Amerikanen richtten hun aanvallen op Saddams luchtverdediging in de zuidelijke no-fly zone en verruimden tegelijkertijd die zone in noordelijke richting. De actieradius van de Iraakse luchtmacht werd zo aanzienlijk verkleind, de verdediging van de Golf werd erdoor versterkt. De verwachting was dat Bagdad onder de indruk van dit alles zou inbinden. Niets is minder waar gebleken.

In het noorden hebben de Irakezen zich dan wel teruggetrokken, maar dat heeft hun Koerdische bondgenoten er niet van weerhouden in de loop van enkele dagen geheel Iraaks Koerdistan aan zich te onderwerpen. Zonder de hulp van Bagdad waren zij daartoe niet in staat geweest. De Amerikanen mogen dit schouderophalend hebben aanvaard, Saddam heeft getoond de hem opgelegde internationale quarantaine op eigen kracht te kunnen verbreken. Geenszins geïntimideerd daagt hij de Verenigde Staten uit de strijd tot het einde te voeren.

NU BEPERKTE STRAFMAATREGELEN niet baten neemt Clintons keuzevrijheid af. Met het zenden van bemande toestellen verhogen de Amerikanen hun inzet. Tegelijkertijd erkennen zij dat het politiek minder riskante gebruik van kruisraketten het beoogde doel niet naderbij heeft gebracht. De Golfoorlog is, zo is achteraf gebleken, voortijdig stopgezet: mèt Saddam is het gevaar voor de vrede in de regio gebleven. Mogelijk voelt Clinton zich gedwongen een poging te wagen om het karwei af te maken dat zijn voorganger, onbedoeld, voor hem heeft laten liggen.