Goeroes

Wat een karikatuur moet Anthony Storr hebben gemaakt van Jung (en ook van Freud) in zijn boek over goeroes. Dunning kennende, neem ik aan dat hij Storrs bedoelingen goed heeft weergegeven in zijn bespreking van Feet of clay. Study of Gurus (boekenbijlage, 17 augustus).

Wat gezegd wordt valt op grond van het werk van Freud en Jung onmiddellijk te weerleggen. Ik noem hier één punt: (ze waren goeroes door) de “zekerheid van hun eigen inzicht”.

Laat ik hiertegenover een paar citaten stellen. Van Freud, toen 43 jaar oud, in een brief aan zijn vriend Wilhelm Fliess: “Hier en daar doemt een stukje kennis op; na de troosteloosheid van afgelopen jaar een ware verfrissing. Wat nu uit de chaos naar voren komt, is het aanknopen aan de psychologie uit de 'Studien (über Hysterie)', de samenhang (van het psychisch lijden) met het conflict, met het leven.” Dat is de stijl van Freud in de, mijns inziens, doorslaggevende periode van zijn leven, zoals weergegeven in de 287 brieven die hij tussen 1887 en 1904 aan Fliess schreef: tastend, aarzelend, zoekend naar het waarom van het psychisch lijden van zijn patiënten (en van hemzelf). Bereid ook om, op grond van wat hij waarneemt steeds weer nieuwe hypothesen te bedenken.

Dan Jung. Aan het eind van zijn leven, 85 was hij, toen hij het volgende aan zijn medewerkster Aniela Jaffé vertelde; het werden de slotzinnen van zijn autobiografie Erinnerungen, Träume, Gedanken: “Als Lao Tse zegt: 'Allen zijn helder, alleen ik ben troebel', dan is dat precies zoals ik me nu op hoge leeftijd voel. (Maar) hoe onzekerder ik over mezelf werd, des te meer groeide een gevoel van verwantschap met alle dingen. Ja, het komt me voor alsof de vreemdheid die mij zolang van de wereld gescheiden hield, is overgegaan in mijn innerlijk en me een onverwachte onbekendheid met mezelf heeft geopenbaard.”

Freud en Jung heb ik leren kennen als zoekers, die tastend en vaak struikelend nieuwe wegen zochten in een onbekend gebied, bij gebrek aan beter het onbewuste of de onbewuste psyche genoemd. Tot goeroes zijn ze door sommigen gemaakt. Zijzelf echter geven de serieuze lezers van hun veelomvattende werk niet de kans klakkeloze navolgers te worden. Als mensen met een wetenschappelijke instelling werpen ze meer vragen op dan dat ze antwoorden geven. “Spaar me voor de Jungianen”, heeft Jung eens gezegd, juist doelend op de zekerheden, en dus beperkingen, die hem door navolgers werden opgedrongen. En, Freud (aan Fliess): “De kritiekloze navolging van de jeugd wekt in mij dezelfde weerzin als de tegenwerking van de oudere generatie.” Ik vrees dat Storr zowel Jung als Freud op het Procrustesbed van het goeroe-zijn heeft gelegd.