Elke dag zwaardvis

In een hoek wierp een dame met een hoofd beschilderd als een paasei begerige blikken naar een man van wie men zei dat hij uit Madrid kwam. Sommige mensen vinden het ongepast dat oude dames nog zo kijken. Ik heb vaak zo begerig gekeken en vaak heeft men teruggekeken alsof ik een oude dame was die haar hoofd beschilderd had alsof het een paasei was. Dat maakt je mild als het om begerige blikken gaat.

Als om vijf uur in de ochtend deze oppik-bar sluit, wat gebeurt er dan met de niet-opgepikten? Zouden ze gaan slapen, of blijven ze de hele nacht op, en slapen ze overdag, wachtend op het donker om het ergste te verdoezelen.

Het heeft bijna iets heldhaftigs, zoals die dame daar iedere avond weer plaatsneemt en tevergeefs naar heren wuift die de zestig ook al gepasseerd zijn. Misschien is ze haar hele leven niet opgepikt, en heeft ze tegen zichzelf gezegd, ik ga niet dood voor ik ben opgepikt. Ik heb nooit met haar gepraat, maar heel soms, laat op de avond, heb ik het gevoel dat een geheimzinnig verbond ons verbindt, die oude dame en mij.

Allebei willen wij de rol spelen waarvoor we het minste talent hebben.

We zaten nog altijd in Stanleys Bar. Billy met haar gipsen been dat ze op mijn schoot had gelegd. Ik met mijn sigaar die niet meer aanging.

'Ik kom uit Californië,' zei Billy terwijl ze de laatste restjes van haar aardbeien-marguerita met een rietje opslurpte.

'En jij?'

'Nederland.'

'Dat is ver hè?'

'Tamelijk. China is verder.'

Ze boog zich voorover. Wat moeilijk ging met dat gipsen been van haar.

'Spreken ze ook Russisch in Nederland.'

'Heel weinig, echt heel weinig. Ze zijn op twee handen te tellen.'

Ze knikte tevreden.

Ik ging naar de wc. Een heer op leeftijd bood mij iets aan waarvan ik vrolijker zou worden, maar ik zei dat ik al heel erg vrolijk was en dat ik niet nog vrolijker wilde worden, want ik had me voorgenomen op het toppunt van mijn vrolijkheid uit het leven te stappen.

'Daarom ben je bang voor het geluk,' riep hij me na.

'Ja,' riep ik terug, 'daarom ben ik bang voor het geluk.'

Mij aanpassen aan de anderen, aan de regels die deze wereld nu eenmaal heeft opgesteld, doen alsof je gehoorzaamt. Dat is mijn vorm van idealisme.

Toen ik terugkwam had Billy haar handen achter haar hoofd geslagen. 'Zie ik eruit als een Italiaanse?' Ze keek me verwachtingsvol aan.

Ik bestudeerde haar gezicht. 'Een Italiaanse, het zou kunnen,' zei ik. 'Je hebt ze in alle soorten en maten, daar in Italië.' 'Ik wil eruit zien als een Italiaanse,' fluisterde ze.

Voor het eerst drong het tot me door dat Billy misschien wel een heel klein beetje gek was. En dat ze mij niet had uitgekozen omdat ze dacht, hé daar zit een Don Juan, maar omdat de andere gasten niet zo hielden van mensen die een heel klein beetje gek waren.

Ik weet niet meer wie het was die heeft geschreven, 'in ieders leven komt een moment van de waarheid en dan moet je liegen, liegen en nog eens liegen.' Het is me uit het hart gegrepen. Het is me alleen niet gelukt, de waarheid sijpelt er doorheen als een lekke kraan. Bovendien heb ik het merkwaardige gevoel dat in mijn leven ieder uur het uur van de waarheid is. Net een klok die is stil blijven staan.

We stonden op. De uitsmijters keken naar ons. Je zag ze denken, het is hem gelukt, na vier weken heeft hij eindelijk ook iemand opgepikt, de anti-Don Juan heeft toegeslagen. Ik moest Billy een arm geven. Billy, mooie Billy, die haar gipsen been dezelfde kleur had willen geven als haar haar. Ze was niet echt mooi, maar ze wilde mooi zijn. Meer dan wat dan ook wilde ze mooi zijn, begeerd worden, nog mooier zijn, en nog meer begeerd worden. Al een paar keer had ze gezegd dat ze, voordat ze dat gipsen been kreeg iedere dag ging trainen. In New York wemelt het van de trainingscentra. Dan kan je fietsen of gewicht heffen en tegelijkertijd TV kijken. Ze trainde zich helemaal dood. Maar ze wist niet waarvoor. Ik keek naar de tenen van Billy die uit het gips staken. Het rood van de nagellak was behoorlijk gesleten en ik dacht aan mijn vriendin die nu aan de andere kant van de oceaan zat. Soms opende ik de deur van haar kamer en dan zei ik, 'wat ben je toch een lelijk varken, een gedrocht uit de hel ben je.' Daarna trok ze zo hard aan mijn haren dat ze een hele bos in haar handen had. Ik weet niet waarom, ik heb de neiging tegen sommige mensen te zeggen, 'wat ben je toch een lelijk varken, een gedrocht uit de hel ben je.' Bij God, ik weet niet waarom, ik zeg het ook vaak tegen mezelf, mijn familieleden zeiden het tegen elkaar, ik vind het prettig het minstens twee keer per dag te zeggen.

Een paar glazen van 't een of ander hebben er altijd voor gezorgd dat de angst om kwalijk te ruiken en in vele andere opzichten te kort te schieten afnam. Bijgevolg was wel dat ik, de anti-Don Juan, mezelf begeerd zag door de gehele wereld.

Een avond heb ik zelfs verklaard dat ook Adolf Hitler van mij zou houden, als hij nog leefde.

We schuifelden voetje voor voetje in het bijna-donker over de vloer van Stanleys. 'Ik heb op het strand gewerkt,' zei Billy.

'Oh ja?', zei ik.

Doorgaan, dat is vaak het enige waar het op aankomt, het maakt niet uit hoe onzinnig de activiteit is, als je maar doorgaat.

Bij het verlaten van Stanleys gaf ik de uitsmijter een grote fooi. Hij grijnsde.

We stonden buiten.

'Wat is er toch met je been gebeurd?' vroeg ik.

'Dat hebben ze gebroken.'

'Oh, op die manier.'

Toen schuifelden we naar mijn woning om gepaste kleding voor mij uit te zoeken, zodat ik mee zou kunnen naar haar feest.

wordt vervolgd