Een film over verdriet

Baaike was een levenslustig, 13-jarig meisje toen een kwaadaardige kanker bij haar werd ontdekt, die haar zenuwstelsel dreigde te vernietigen. De Belgische cineaste Veerle Vivijs kreeg van Baaike's ouders toestemming de gebeurtenissen na die vreselijke ontdekking te filmen. Bij de IKON konden we gisteravond het resultaat zien.

Het was zeker niet de eerste documentaire op dit gebied, maar het was wel een van de betere, ook al waren er aantoonbare zwakheden - zoals de soms slechte verstaanbaarheid. Baaike was in de eerste plaats een film over verdriet. De vader van Baaike was daar de aangrijpendste belichaming van. Hij kon als enige zijn verdriet niet meer de baas, hij was er een willoos werktuig van geworden. De film begon dan ook terecht met hem. “Wij zijn intens moe”, zei hij enkele malen.

Er waren foto's van hem waarop hij nog een jonge, onbezorgde vader was. Daarna werd zijn gezicht een grijs, bezorgd masker, niet meer in staat tot enige blijheid. Ook het schaarse, goede nieuws leek langs hem af te schampen, hij kon er niet meer in geloven. En je denkt als kijker dat hij helaas gelijk heeft. Hij lijkt de enige realist in een gezelschap dat van de ene chemotherapie naar de andere beenmergtransplantatie toeleeft.

De moeder gaat daarin voorop. Zij heeft haar zwakke momenten, maar zij houdt toch het meest de moed erin. Zij kan zelfs genieten van de begrafenismuziek die ze al voor de ergste afloop heeft uitgekozen. “Het is vrolijke muziek, ik herken er mijn dochter in.” De muziek geeft haar, hoe paradoxaal het ook is, nota bene hoop.

Typerend is een moment waarop de moeder opstandig tegen een aarzelende arts zegt: “Zeg dat het geneest!”

De vader luistert lijdzaam. Hij weet wel beter. Het zal niet lukken, alles is tevergeefs. Je verwacht dat hij op zeker moment zal zeggen: nu is het genoeg geweest, dit lijden moet afgelopen zijn, mijn dochter mag geen proefkonijn worden van de medische wetenschap. Misschien heeft hij dat ook wel eens gezegd, de cineaste zal niet overal bij geweest zijn.

Naarmate de film vordert, raken de emoties van Baaike enigszins op de achtergrond. Wat gaat er in haar om, kort voor en na al die gruwelijke onderzoeken? Hoe is het om op die leeftijd wekenlang geïsoleerd te leven in een ziekenhuiskamer, waar alleen nog maar personeel mag komen? We komen het nauwelijks te weten. “Baaike bouwt een muur op”, zegt de moeder. Ook de cineaste moet daarop stuk gelopen zijn.

De afloop komt als een - in de meest letterlijke zin - levensgrote verrassing. Juist als de kijker zich met de vader heeft neergelegd bij het onvermijdelijke, zijn er de eerste overtuigende tekenen van herstel. Een jaar na de transplantatie is Baaike nog in leven. Ze ziet er weer blozend uit, haar haar groeit als in haar beste jaren.

Na vijf jaar mag ze zich genezen beschouwen, zegt de dokter. Op het moment van filmen - april 1995 - waren daar twee jaar en drie maanden van om.

De slotbeelden.

“Ik ben nog niet gerust”, zegt de vader.

“Ik vind al dat ik genezen ben”, zegt Baaike.

Moeder en dochter verdwijnen, blijmoedig joggend, uit beeld.