De verkiezingen helpen Bosnië en de NAVO niet

De NAVO is in Bosnië in een onontwarbare knoop geraakt. De morgen te houden verkiezingen zullen de etnische scheidslijnen slechts bevestigen en de kans verkleinen dat een pluriforme staat alsnog van de grond komt. De idee dat de gang naar de stembus een panacee is, is typisch Amerikaans en dreigt in Bosnië opnieuw te worden gelogenstraft.

De NAVO heeft het falen van het Dayton-akkoord, voorzover het voorzag in het scheppen van levensvatbare democratische en boven-etnische instellingen, aan zichzelf te wijten. De organisatie heeft de geografische scheiding van de oorlogvoerende partijen op grond van primaire veiligheidsoverwegingen bekrachtigd, en daarmee de voorwaarden geschapen voor een duurzame verdeeldheid, die verkiezingen niet ongedaan maken.

De idee van het houden van verkiezingen in een door oorlog verscheurd land is in tegenspraak met zichzelf. Democratie kan niet van boven- of van buitenaf worden opgelegd. In een samenleving moeten condities bestaan die democratie tot leven brengen. Daarvan is in Bosnië geen sprake. De oorlogsleiders maken er nog steeds de dienst uit. Ook al is de Servische leider Karadzic ietwat op de achtergrond gedrongen, zijn trawanten hebben het heft in handen. De politieke partijen zijn niet alleen etnisch bepaald, zij onderdrukken iedere afwijking van hun eigen eng-chauvinistische dogma's. Daarmee is praktisch de mogelijkheid uitgesloten dat kiezers een voorkeur kenbaar maken die ingaat tegen de voldongen etnische segregatie.

Had het anders gekund? De grondlegger van Dayton, de Amerikaan Holbrooke, heeft toegegeven dat er in dat akkoord fouten zijn gemaakt. Critici menen dat de aanstelling van een soort pro-consul wonderen had kunnen verrichten, een functionaris die partijen had gedwongen tot samenwerking, tot het opheffen van hun eigen machtsgebied, tot het voorbereiden van nationale instellingen die niet bij voorbaat alle geloofwaardigheid en levenskracht hadden ontbeerd. Maar dat zou een formele bezetting van het gebied noodzakelijk hebben gemaakt, met alle risico's voor de vredehandhavende troepen van dien.

De in wezen minimale inzet waartoe de Verenigde Staten, en met hen de grote Europese landen, bereid waren, hebben een dergelijke aanpak van begin af buiten de orde geplaatst. Niet alleen moest het risico van aanzienlijke verliezen worden vermeden, ook dienden, althans in de Amerikaanse wijze van zien, de moslims te worden voorzien van machtsmiddelen die hen in staat zouden stellen om na het vertrek van de Amerikanen zichzelf te verdedigen. De gerealiseerde versterking van de moslim-factie zou niet hebben gespoord met de algehele gelijkschakeling die noodzakelijk zou zijn geweest om te komen tot een levensvatbare Bosnische staat. Een staat die meer had moeten zijn dan de losse verzameling entiteiten die nu de schijn van nationale eenheid moet ophouden.

Waar de verkiezingen het signaal hadden moeten zijn voor het vertrek van de internationale troepenmacht, daar roepen zij onder de gegeven omstandigheden de noodzaak op tot voortzetting van internationale militaire aanwezigheid. Volledige terugtrekking van IFOR, zelfs met achterlating van een vorm van politieel toezicht, wordt niet langer verantwoord geacht. Er zal een geloofwaardige strijdmacht aanwezig moeten blijven die tenminste kan voorkomen dat partijen elkaar weer in de haren vliegen. Tenslotte liggen er nog genoeg onvervulde en historisch bepaalde territoriale claims, nog afgezien van de gewilde zeggenschap over strategisch en economisch gevoelige verbindingen en economisch en militair belangrijke steunpunten.

Hierover is achter de gesloten deuren van het Atlantisch bondgenootschap het nodige te doen. De Europeanen willen niet opnieuw met het alleenvertoningsrecht in Bosnië worden opgezadeld. Met een mengeling van spitse argumenten en een lichte vorm van chantage - als u, Amerikanen, het voor gezien houdt, moeten wij ons helaas ook terugtrekken - trachten zij Washington tot andere gedachten te brengen.

De Amerikaanse militaire bureaucratie toont zich gevoelig voor het Europese appèl, maar wat de nieuwe president opportuun acht moet worden afgewacht. Clinton heeft de kiezers beloofd dat de soldaten voor Kerstmis thuis zullen zijn. Kandidaat Dole heeft zich herhaaldelijk krachtig uitgelaten, maar dan toch vooral in de gelimiteerde termen van steun aan de in Sarajevo heersende moslim-partij.

Een besluit tot voorzetting van een, per definitie gereduceerde, internationale militaire aanwezigheid onder een andere naam zal het vraagstuk 'hoe nu verder?' overigens niet alleen niet oplossen, maar zelfs in omvang en ernst doen toenemen. Als een troepenmacht van zestigduizend man al niet in de waagschaal van Bosnië's politieke vernieuwing kon en mocht worden geworpen, zal dat als de mankracht wordt teruggebracht tot veertig-, laat staan twintigduizend niet anders komen te liggen. Het is bovendien niet uitgesloten dat een kleinere vredesmacht kwetsbaarder wordt naarmate zij tot minder in staat is.

Met die paradox wordt de NAVO geconfronteerd. De onmogelijkheid om in Bosnië een geïntegreerde en pluriforme staat van de grond te krijgen, dwingt de mogendheden tot prolongatie van hun militaire interventie. Maar voortzetting roept allerlei vragen op ten aanzien van de afweging van risico's voor de troepen tegen mogelijkheden om het Dayton-akkoord tot volledige uitvoering te brengen. De risico's willen de mogendheden minimaliseren door het aantal ingezette soldaten te verminderen, maar die vermindering maakt de resterende strijdmacht kwetsbaarder èn minder geschikt om een verandering ten goede af te dwingen.

De Amerikanen zouden er de voorkeur aan geven terug te vallen op een verdeling van verantwoordelijkheden zoals die min of meer bestond vóór de gebeurtenissen van vorig jaar zomer: Europa levert de grondtroepen, de Verenigde Staten verzorgen zonodig en desgewenst de luchtsteun. Maar de Europese landen voelen er niets voor om in de rol van potentiële gijzelaars terug te vallen. Zij eisen als zodanig herkenbare Amerikaanse militairen op de grond. De ervaring heeft geleerd dat alleen die indruk maken op de Bosnische milities en hun leiders.

Zo bungelt Bosnië's veiligheid na morgen aan onbeproefde machtsverhoudingen, aan schijneenheid, aan schijndemocratie en aan onverwerkte trauma's. Voor de toezichthouders opent zich opnieuw het moeras.

    • J.H. Sampiemon