De Medicijnman

Van de luis uit gezien is je hoofd een beboste berg, begroeid met slappe bamboe. Daar vindt de luis alles wat hij in zijn luizenleventje nodig heeft. Als hij honger heeft prikt hij in de grond en zuigt een druppeltje bloed. Zijn klauwtjes passen precies om je haren, zodat hij makkelijk omhoog en omlaag kan klimmen. De vrouwtjesluis bouwt voor haar jongen een korfje, helemaal onderaan een haar, en legt daar een eitje in.

Een neet, heet een ei van de luis. Dat broeit daar lekker warm en na een week komt er een luisje uit. Als de nieuwe luizen ook weer neten maken die uitkomen en als dat een tijdje zo doorgaat, ontstaat een echt luizenbos. Dat is een hoofd vol luizen.

Soms wordt de rust in het hoofdbos ruw verstoord. Dan woelen er tot schrik van de luizen opeens een paar dikke ronde balken met scherpe randen door het bos. Ze duwen alle stengels uit elkaar en schrapen hard over de bodem. Luizen vinden het heus niet leuk als je krabt. Soms komt er ook een gigantische hark langs, waardoor de luizen en soms ook de neten uit het bos worden gesleurd. Luizen- en netenkammen zijn levensbedreigend, maar vluchten is mogelijk. Naar achter de oren bijvoorbeeld. Soms plenst er water op het bos. Luizen kunnen wel tegen een douchebuitje, ook tegen onderwaterzwemmen en zelfs wel tegen wat zeep. Maar het is afgelopen als het bos wordt overgoten met luisdodende chemicaliën. Malathion! Permetrine! En die dikke palen smeren het in alle hoeken en gaten. Zelfs achter de oren!

Door het gif kunnen de luizen hun spieren niet meer bewegen. Ze kunnen niet meer lopen en niet meer ademhalen en gaan dood. Spoedig is er geen leven meer te bekennen in het luizenbos. Maar de meeste neten overleven de verdelgingsmiddelen. Na een paar dagen lopen de eerste luizen als wezen door het bos.

Als je dat zielig vindt moet je ondraaglijke jeuk voor lief nemen. Van luizen zelf word je niet ziek. Maar als je door de vreselijke jeuk jezelf tot bloedens toe krabt, kunnen in de wondjes wel bacteriën groeien waardoor je een ontsteking krijgt. En bovendien zullen je klasgenoten en hun broertjes, zusjes en ouders het niet leuk vinden als jouw luizen naar hun hoofden overlopen. Want dat doen die diertjes. Als haren en hoofden elkaar raken, stappen de luizen over naar een nieuw hoofd. Luizen blijven ook wel eens in pet, sjaal of jaskraag achter. Als die op school aan de kapstok hangen kruipen de luizen onder de les naar de jas ernaast.

Hoofdluizen krijg je alleen van andere mensen, niet van honden of katten. Bijna iedereen heeft wel eens luizen. Kleine kinderen hebben vaker luis dan grote mensen omdat kinderen met elkaar spelen en dan vaak met hun hoofden bij elkaar zitten, zodat de luizen zich kunnen verspreiden. Grote mensen raken met hun hoofd veel minder andere hoofden aan. Als artsen op kinderhoofden gaan zoeken, vinden ze luizen op wel 1 op de 25 hoofden. Vaak zitten de luizendragers bij elkaar in de klas.

Hoofdluizen krijg je niet van vieze haren. Luizen leven van je bloed en niet van rommel en vettigheid in je haar. Schoon, lang en blond haar, daar houden luizen het meest van, zeggen de luizendeskundigen.

Veel basisscholen hebben luizenmoeders die nu en dan eens op de kinderhoofden kijken of ze neten zien of luizen zien kruipen. Als ze ongedierte zien krijgen alle leerlingen een luizenbriefje mee naar huis. Iedereen uit de klas moet dan zijn hoofd met luizenmiddel behandelen en broers, zussen en ouders moeten ook hun hoofd nakijken en er eigenlijk ook aan geloven. De luizendoodmiddelen zijn niet plezierig. Een paar ervan moet je lang laten intrekken en ze stinken. Petjes, sjaals, mutsen en kussens moeten worden gewassen. Een week later, als de overgebeleven neten zijn uitgekomen, moeten alle luizenbollen nog eens behandeld worden. Dan zijn de luizen weg, maar als niet iedereen in de klas meedoet, of toevallig in de tram van iemand een luis overneemt, dan zijn de luizen na een tijdje weer terug.