De jaren van Jopper en Jekker; Tweede deel van Voskuil

J.J. Voskuil: Vuile handen. Het bureau, deel 2. G.A. van Oorschot, ƒ 89,- (gebonden), ƒ 59,- (ingenaaid)

“En die Maarten Koning is verdomme drieënveertig jaar oud!” - een boek dat om vier uur in de nacht de lezer dit doet uitroepen kan niet slecht zijn. Maar ik ga hier niet voor de zoveelste maal de lof van de schrijver J.J. Voskuil zingen. Ik ben het eens met allen die hem prezen en als er iemand is geweest die hem misprees, dan ben ik het met die persoon niet eens. Ik wil het hier over enkele niet-literaire, of in ieder geval niet-puur-literaire, dingen hebben.

Het lijkt mij het beste als ik net doe alsof ik Bij nader inzien (1963) en Mijnheer Beerta (maart 1996) niet ken, en alsof Vuile Handen niet deel 2 is van een vanwege zijn omvang in zeven delen verschijnend boek Het Bureau. Dat is niet onredelijk, want dit boek kan op zich gelezen worden en is waarachtig niet een door de zetmachine uitgesneden deel.

Met al zijn eerlijke, dagboekachtige, onversierde stijl waar duidelijk de schimmen van Alberts, Elsschot en Nescio boven hangen - en welke schrijvers kan men beter als beschermengelen kiezen? - zit de roman toch geraffineerd in elkaar. Hij bestaat uit honderdvijftig episoden, waarvan ruim de helft speelt op het Amsterdamse wetenschappelijke instituut dat volkscultuur, volkstaal en volksmuziek bestudeert en waar Voskuil zich tot zijn schrik de chef ziet van de afdeling volkscultuur. In de eerste episode staat hij bij de voordeur, omdat de portier zich heeft ziek gemeld (niet omdat de portier ziek is - hier is de eerste van duizenden kantoorverschrikkingen) en zo worden de personeelsleden aan ons voorgesteld.

Toevallig houdt hij ook net met zijn staf in het begin van het boek een bespreking over wat volkscultuur wel is en wat niet. Zeven jaar later verlaten wij onze held als hij bij zijn terugkeer uit Munster, waar hij een lezing heeft gehouden die antwoord op die vraag geeft, op zijn handen valt. In de trein kijkt hij naar zijn handen: “Ze waren zwart van het vuil, maar hij was te moe om zich daar op dat ogenblik zorgen over te maken.” Dat zijn de laatste woorden op bladzij 576 en de lezer kan denken. Aha, de vuile handen!

Wat voor vuile handen? Je denkt natuurlijk aan het toneelstuk met die naam in zeven bedrijven van J.P. Sartre (1948). Maar onze Maarten is in het geheel niet een man die over lijken gaat en zijn idealisme ziet ten onder gaan aan zijn ambitie. Hij wil juist geen chef zijn. Hij wordt al ziek na een dag sollicitanten te hebben ontvangen. Hij voelt niets voor de ruzietjes en competentiekwestietjes die het kantoorleven beheersen, en hij is daar ook niet goed in. Hij durft pseudo-ziektemeldingen en oplichterijtjes van thuiswerkers niet aan te pakken. Zelfs als hij op een internationaal congres een lezing houdt die inslaat als een bom, is hij daar niet blij mee.

Multatuli Kortom: we moeten bij de vuile handen niet denken aan de Sartriaanse vuile handen die een man maakt om een hoger doel te bereiken. We moeten eerder denken aan de vuile handen waar Multatuli in Minnebrieven (1861) over schrijft in een brief aan zijn vrouw: 'Kan ik nu myn ziel fotograferen, en te koop hangen in een boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware 't niet om woedend te worden als men my betastte en beduimelde met vuile handen?' Voskuil heeft de ziel van Maarten Koning gefotografeerd en nu komen wij lezers en recensenten en interviewers en televisiekoppen met onze vuile handen om hem te betasten en te beduimelen.

Waar gaat het boek over?

Over een nog steeds ongelukkige Maarten Koning? Over de oorzaken van zijn ongelukkige gevoel? Over zijn vader dus, die heel gewoon de oud-hoofdredacteur van Het Vrije Volk is die nog elke dag een hoofdartikel schrijft, dat hij ook elke dag weer verscheurt? Over zijn vrouw die hem zogenaamd zuiver wil houden maar toch ook graag in een beter huis wil wonen? Over hun kinderloosheid? Over zijn onwil om volwassen te worden en verantwoordelijkheid te nemen? Over de lafheid van zijn bazen en de luiheid van zijn ondergeschiktheid? Kortom, over de menselijke conditie in het algemeen en de ongelukkigheid van Maarten Koning, 43 jaar oud en geen student meer, in het bijzonder? Als het alleen daar over ging, zou ik het niet tot vijf uur in de nacht gelezen hebben terwijl ik toch de volgende ochtend om tien uur met de trein naar Enschede moest.

Het boek gaat, ook, over de verkantorisering van de wetenschap en de verkantorisering van het leven. Een wetenschapper is iemand die nadenkt, die leest en schrijft, die fantaseert en experimenteert, die met vakgenoten praat en zo nu en dan een ideetje heeft. Hij is dus niet een kantoorklerk die fiches tikt en in een kaartsysteem bijzet. Hij is niet iemand die vrede moet bewaren met bazen en slaven. Hij is niet iemand die werk doet waar hij niet in gelooft en die naar buitenlandse congressen wordt gestuurd waar hij slechts impotente onzin aanhoort.

Maarten Koning is wetenschapper, maar hij werkt op een kantoor. Bijna alle wetenschappers in Nederland werken op kantoren. De produktie is prachtig, de salarissen zijn prachtig, de evaluaties zijn prachtig, maar met wetenschap heeft wat de wetenschappers doen bitter weinig te maken. Maarten weet dat. Hij lijdt er onder. Maar hij gaat niet weg. Zijn vrouw zegt dat ze dat wel wil, maar zij wil ook een verdieping in een grachtenpand. Het kantoor is Maartens leven. Zijn vrouw verbiedt hem er thuis over te praten, maar ze doen het toch. Een bezoek van Maarten en zijn vrouw aan een zieke collega wordt door deze opgevat als ziekencontrole, en als ze een tweede keer zo'n bezoek brengen, denkt de lezer het ook.

Ondanks al die kantoorellende, ondanks al zijn twijfels aan het nut van zijn werk, doet Maarten het helemaal niet slecht. Het lijkt alsof hij alleen kan genieten als hij iets met zijn handen kan doen (een vogelnestje timmeren, een verhuizing, een dorsbeweging leren) of als hij voor-wetenschappelijk materiaal verzamelt (een dorsvlegel bekijkt, met oude mensen praat), maar zijn triomf viert hij in Stockholm met een lezing over de Nederlandse kerstboom. Die kerstboom is, zo betoogt hij, helemaal niet een oud Hollands volksgebruik, maar een recent uit Duitsland geïmporteerd produkt. Koning weet dat uit de gegevens van een enquête die zijn Bureau in 1934 hield. Alle verzamelarij in de veertig jaar nadien waren voor die conclusie onnodig. Het congres applaudisseert. Er is dus niemand die zegt “maar in Duitsland is de kerstboom, niet als tafelboompje, ook nieuw, dat kan je sinds 1955 lezen in deel 28 van Grimms Duitse woordenboek”. Voskuil heeft het voorbeeld bedoeld voor ons die niets van volkscultuur weten.

Na die triomf is Maarten helemaal niet blij. 'Hij was triest', lezen we. Voskuil overtreedt daar het gebod dat een romanschrijver nooit zomaar 'Hij was triest' mag schrijven. Hij moet zijn persoon zo beschrijven, dat wij de triestheid zelf kunnen en moeten afleiden. Voskuil doet veel wat een romanschrijver niet mag doen. Zijn boek bestaat voornamelijk uit dialogen. Die worden soms gewoon achter elkaar gezet, en krijgen soms het sobere zei Maarten mee. Maar we komen ook bladzijden tegen met de haast kinderachtige dialoogaanwijzingen:

zei Slofstra onverschillig

vroeg ze ongelovig

zei ze vermaakt

zei Bart geschrokken

vond Marion

wilde Bart weten

verzekerde Bart

zei hij met ironie

zei hij sceptisch Voskuil gebruikt nooit vergelijkingen. Hoogstens ontsnapt hem dat een fietsdynamo 'lispelt', maar dat is geen vergelijking, want ik zou niet weten welk werkwoord dat typische glijgeluid dan onvergelijkenderwijs weergeeft. Het is de lezer die denkt dat het verhaal van een Stockholmer die Maarten na zijn lezing vertelt over een dennentak, waarmee hij een adelaar van zich moest afhouden, wel een verwijzing naar die kerstboom zal zijn, maar dat ligt aan de lezer.

Voskuil is meester in de herhaling. Al vaak is geschreven over zijn beschrijvingen van tabaksgebruiken en over het hoogfrequente woord 'mieters'. Dat woord blijkt in de jaren 1965-1972 uitgestorven en horen we alleen nog maar als de oude vrienden bij elkaar komen. De herhaling zit hem hier vooral in twee verschijnselen: het tutoyeren en het redden van dieren.

Niet minder dan twintig keer gaat het over het elkaar bij de voornaam en met jij aanspreken, of jij tot de ondergeschikte en u tot de baas. Vele malen zijn we getuige van het redden van beesten, een hond uit de gracht, en voorts van varkens, slakken, vlinders, katten, konijntjes, nog meer katten, en haast een uil.

Er zijn ook talloze gebeurtenissen die eenmaal herhaald worden. Ik noemde al het tweede 'ziekenbezoek' aan een frauderende werknemer. Maar ook het vragen om thuis te mogen werken, werkt sterk bij eenmalige herhaling. Waarom, zo vraagt de lezer zich af, krijgen we de landing van een vliegtuig in Stockholm zo uitvoerig te lezen - dat heeft iedereen toch wel eens meegemaakt? Maar bij de tweede landing, in Kopenhagen, gaat iets mis en krijgen Beerta en Koning de doodsangst. Uitgebreide beschrijvingen zijn zeldzaam en het lijkt alsof Voskuil als hij de schittering van het water van de IJssel beschrijft, slechts bewust Nescio nadoet.

Sleutelroman Maar ik schrok werkelijk toen ik zijn beschrijving las van het grachtenhuis waarheen het Instituut voor Volkscultuur, Volkstaal en Volksmuziek gaat verhuizen. Ik ben daar in de jaren die waarschijnlijk in het volgende deel aan de orde zullen komen, een paar keer geweest om er te vergaderen met Mevrouw Daan en mijnheer De Rooij (hier heel licht getransformeerd tot mevrouw Haan en mijnheer De Roode). Nooit meer had ik aan dat voorname eikenhouten interieur met de rustieke trap en de vorstelijke vergaderzaal met de suffe theekopjes, door een feodale figuur binnengebracht, gedacht, maar ik zag het gebouw ineens weer voor me en hoorde zelfs een flard vergadertaal.

En dat terwijl ik me zo had voorgenomen om het boek niet als sleutelroman te lezen!

Met zijn directe verwijzingen naar zijn vader, die in de zeven jaar zeven keer een episode krijgt, zodat de lezer denkt: “Ging hij maar eens dood, misschien zou dat Maarten goed doen!”, naar het Bouwvakkersoproer en de Maagdenhuisbezetting, naar de boycot van Zuid-Afrika en van de film Africa Addio, lijkt het wel of Voskuil een kroniek van die zeven jaren wil geven, maar al die dingen gaan toch langs de hoofdpersoon heen. Zijn triomf viert hij met een document uit 1934 en zijn conclusie is dat je bij de studie van volkscultuur de veranderingen in de verderafgelegen historie in de gaten moet houden.

Mijn conclusie is dat je, zelfs bij zo'n menselijk-geleid en oncommercieel instituut als Het Bureau is, door de kantorisering geen werkelijke wetenschap meer kan doen en je persoonlijke leven ook nog kan verpesten. Er zijn geen helden in dit boek. Sommige lezers krijgen een hekel aan Nicolien, de vrouw van Maarten, of aan Beerta of Balk, Maartens vroegere en huidige baas, maar ze zouden er beter aan doen een hekel aan zichzelf te krijgen. Want wij zijn zo slap en lui en stom en langzaam en verwend als bijna alle personen in deze moderne zedenroman. Wij zijn de mensen met de vuile handen.