De Japanse vis stinkt

In zijn artikel 'Japan snapt niets van ophef over walvisvaart', ( NRC HANDELSBLAD, 31 augustus) geeft correspondent Hans van der Lugt een eenzijdige kijk op de Japanse walvisvaart, waardoor mijns inziens de feiten verdraaid worden weergegeven. Daarom wil ik enige nuanceringen aanbrengen.

De traditie van walvisvaart in Japan mag weliswaar ver teruggaan in het verleden, in deze eeuw heeft zich daarin een grote verandering voorgedaan. De jacht op de dwergvinvis is een moderne jacht met commerciële doeleinden. Bij de geboorte van de 69-jarige walvisvaarder Iwao Isone, die wordt geciteerd, had men nog nooit een dwergvinvis gevangen; pas in de jaren dertig begon men in Japan en Noorwegen met deze jacht. De grote walvissen voor de kust waren toen immers min of meer uitgeroeid.

De Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) heeft alle commerciële jacht sinds 1986 verboden, ook voor de kust van Japan. Dat was niet voor niks, maar omdat het verdwijnen van de ene populatie na de andere de grote zorgen baarde. Pas binnen een modern beheersysteem, dat de IWC nu bijna heeft afgerond, zou Japan weer commercieel walvissen kunnen vangen. Bij gebrek aan overtuigende gegevens heeft het wetenschappelijk comité van de IWC de dwergvinvissen in de Westelijke Stille Oceaan ingedeeld in negen populaties. Met de huidige veronderstelling van de populatiestructuur zouden de mogelijke toekomstige vangstlimieten van de IWC wel eens erg laag kunnen uitvallen en Japan doet daarom verwoede pogingen om die structuur veranderd te krijgen.

Milieubeschermers worden dikwijls met ondiplomatieke bewoordingen door Japanse walvisvaarders en hun vertegenwoordigers bejegend. Westerse deelnemers (waaronder ikzelf) aan een IWC-vergadering in Japan in 1993 werden door demonstranten beschimpt en uitgemaakt voor dingen vergeleken waarmee rotte vis een lekkernij is. Voor de Nederlandse delegatie is het echter overduidelijk dat de jacht in Japan niet die van een inheems volk is voor eigen levensonderhoud, maar deels een commercieel doel voor ogen heeft.

Japan kan door zijn recht op wetenschappelijke jacht 430 dwergvinvissen per jaar vangen, voorheen alleen bij Antarctica, sinds twee jaar ook in de Stille Oceaan. Eén enkele dwergvinvis kan 60.000 tot 100.000 gulden opbrengen, ook als deze voor de wetenschap is gevangen. Dat zou een totaal van 30 à 40 miljoen gulden betekenen. Niet de milieubeweging, maar de commerciële druk op natuurlijke rijkdommen heeft vele levensstijlen de das omgedaan; dat geldt ook voor de walvisvaart.

Van der Lugt was blijkbaar op bezoek in het dorp Taiji. Zelf ben ik enkele jaren geleden in een ander Japans dorp met 'traditionele walvisvaart' geweest, in Ayukawa in Miyagi-ken, 500 km boven Tokyo, een doorsnee dorp in een industrieel land. De traditie bestond vooral uit het feit dat in de winter veel inwoners met de vloot naar Antarctica gingen op de commerciële walvisjacht en dat er een fabriek stond waar 's zomers potvissen werden verwerkt. Daarnaast was er een eenmansbedrijfje waar enkele kleine walvisachtigen per jaar werden versneden. Het thema walvis bleek overigens uitmuntend voor de verkoop van prullaria aan de honderdduizenden toeristen die de gang van de nabijgelegen tempels op Kinkazan maken.

Tijdens een bezoek aan de Diet, het Japanse parlement, heb ik gemerkt dat er in Japan diverse meningen bestaan over walvisvaart. Maar de stem van de industrie overheerst - net zoals bij ons de haringvissers het hardst roepen als er te weinig haring rest. Om een walvis te willen beschermen moet je je continu verantwoorden, om er een te willen vangen kun je onbelemmerd worden geciteerd. Er verschijnt geen uiting van bijvoorbeeld Greenpeace over walvisvaart in de krant zonder dat iemand met een kritische kijk daarop eveneens wordt aangehaald. Dat vind ik best, de lobby van de commerciële walvisjagers is blijkbaar succesvol. Ik vind het echter gespeend van nuance en goede journalistiek wanneer NRC Handelsblad een eenzijdig artikel over 'human interest' en walvisvaart in Japan plaatst, met als schijnbaar enige bron voor achtergrondinformatie de Encyclopedia Brittanica.