De informatierevolutie zet deel van de burgers op achterstand

Stelt u zich eens voor. U bent op zoek naar een sociale huurwoning. U bent daarvoor geabonneerd op een woonkrant van een woningbouwcorporatie die elke woensdag uitkomt. U treft op een vroege ochtend de woning van uw wensen aan en reageert onmiddellijk. U belt, maar wat blijkt?

De corporatie meldt dat de woning gisteren al door een ander is geclaimd. 'Hoe kan dat nou? De krant komt toch pas woensdag uit?', stamelt u. De woningcorporatie antwoordt dat via Internet de gegevens al eerder openbaar zijn gemaakt en dat iemand via Internet de woning heeft geclaimd.

Binnenkort is de hierbeschreven casus in ieder geval realiteit als het gaat om de koophuizenmarkt, als we de uitzending van Twee Vandaag van 24 juni jl. mogen geloven. Het is duidelijk dat via Internet een zeer selectieve groep op een deel van de woningmarkt een voorsprong krijgt. De meest gewilde woningen zijn al weg, als bij de niet-Internetters het woonkrantje in de brievenbus valt. Dat is het schrikbeeld van de toekomst van een groeiend gebruik van de informatie-technologie door overheid en semi-overheidsinstellingen .

Dat is jammer, omdat deze technologie ook voor de overheid erg nuttig is. In toenemende mate gebruiken overheden en semi-overheidsinstellingen de toepassingsmogelijkheden van de nieuwe informatietechnieken. Voorbeelden daarvan zijn vereenvoudigde documentatie van de openbare ruimte, gebouwen, kabels en leidingen via de digitale basiskaart, en simulatieprogramma's voor een beter inzicht in de geplande bouwvolumes op de openbare ruimte. Daarmee krijgt en houdt de overheid ook zelf beter en doelmatiger de zaken op orde.

Met de opkomst van Internet is een verdere ontwikkeling mogelijk die intensieve communicatie tussen burgers en overheid mogelijk maakt. Naast de honderdduizenden Internet-gebruikers zijn er intussen al een tiental gemeenten en enkele ministeries die zichzelf via heuse 'home-pages' aanprijzen.

Wat biedt Internet op dit vlak? De burger kan bijvoorbeeld via Internet op elk gewenst moment vanuit eigen huis of werkplek bezien welke subsidieregelingen van kracht zijn of welke inspraakavonden worden georganiseerd. Bijzonder is verder dat hij via Internet ook zijn eigen reactie kan geven en niet eens naar de inspraakavond toe hoeft. Ook kan hij zijn subsidieaanvraag via de computer invullen en indienen. Het medium biedt bij uitstek de ruimte om een letterlijk en figuurlijk uitgelezen doelgroep te bereiken. Dat is de doelgroep die geen huis-aan-huis-bladen en lokale krantjes leest; dat is de gemiddelde werkende 30-jarige blanke man. Een groep die voor de lokale overheid moeilijk bereikbaar is via traditionele media. Voor deze niche in het bereik van overheidsvoorlichting is Internet een uitkomst.

Is er dan niets dan goeds van Internet en vergelijkbare ontwikkelingen te verwachten? Het antwoord schuilt in het tegenbeeld van het zojuist genoemde voordeel. Ook als Internet de grote vlucht gaat nemen waar het nu naar uitziet, zullen er voor een periode van tientallen jaren significante bevolkingsgroepen zijn en blijven die geen, of slechts met behulp van anderen, toegang tot Internet hebben. Daarvoor zijn de drempels voor (jongere) ouderen, armen en allochtonen te hoog. Het gebruikersprofiel van Internet zal nog jaren afwijken van dat van de gemiddelde Nederlander.

Als Internet een grotere rol krijgt in het overheidsbeleid, dan zal ter dege rekening moeten worden gehouden met het feit dat deze groepen niet volledig worden bereikt. Inspraakavonden zullen meer moeten worden gericht op de bij Internet ondervertegenwoordigde groepen. Daarmee kan worden voorkomen dat de informatie- en invloedvoorsprong niet wordt vergroot door toename van nieuwe communicatietechnologie.

Tot op zekere hoogte is dat risico niet aanwezig als het slechts gaat om traditioneel eenrichtingsverkeer van overheidsvoorlichting: van overheid naar burger. Maar als interactief verkeer op gang komt, waarbij de burger door onmiddellijk contact via Internet niet als object van voorlichting fungeert maar de rol van participant van beleid krijgt toebedeeld, dan is het zaak echt waakzaam te zijn. Waakzaam om duidelijk een representatieve voorlichting en communicatie van de gehele bevolking te waarborgen.

Zo'n waarborg zou kunnen zijn de toegang tot informatie via Internet tijdelijk op te houden tot het moment dat de informatie ook via de reguliere traditionele media beschikbaar is gekomen. Dat lijkt wellicht een minder gewichtige kwestie. Maar dat is toch anders als we bedenken dat er plannen zijn om woningdistributie ook via Internet te organiseren. Een voorsprong van een dag kan tot gevolg hebben dat de meest gewilde woningen aan een selectieve groep worden toegekend.

Een vergelijkbare situatie is denkbaar bij subsidieregelingen waarbij het principe wordt gehanteerd 'wie het eerst komt, het eerst maalt'. In die gevallen is het blind aanwenden van de technische mogelijkheden een aanslag op de democratie.

De overheid zal bij de modernisering van de dienstverlening en voorlichting met name op dit aspect meer moeten letten. Toegang tot nieuwe groepen is een goed argument met die modernisering door te gaan. Echter, waar nodig zal evenzeer ter compensatie aan mensen die die techniek niet kunnen of willen gebruiken, juist van de traditionele media intensiever gebruik moeten worden gemaakt.

    • Jeroen den Uyl
    • Menno van Vliet