De eerste Deli-tabaksroman; Zes vergeten romans van de Indische schrijfster Dé-Lilah

Van de Indische schrijfster Dé-Lilah is zo goed als niets bekend; slechts zes boeken zijn er van haar overgeleverd. “Zeker is dat Dé-Lilah's beschrijvingen van de Indische achtergronden veel ongekunstelder, eerlijker en oprechter zijn dan overeenkomstige passages in betere of in elk geval minder slechte boeken, die over Nederlands-Indië allemaal veel complimenteuzer en slaafs-eerbiediger zijn.”

Joop van den Berg: Dé-Lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina's Indisch proza. In: 'Uitgelezen boeken'. Jrg. 6 Nr. 2, Juni 1996. Uitg. De Buitenkant

Hondenbruiloft, zo werd in ons idyllische Indische verleden een huwelijk tussen Indo's genoemd. Zoals iedereen die in het voormalige Nederlands-Indië is opgegroeid ken ik nogal wat pejoratieve termen over Indo-Europeanen, maar deze was mij op een of andere manier bespaard gebleven. Ik kwam het woord tegen in Joop van den Bergs Dé-Lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina's Indisch proza - aandoenlijk mooi uitgegeven door Uitgeverij De Buitenkant in het tijdschrift Uitgelezen Boeken.

Over zo'n hondenbruiloft gaat deze publicatie overigens niet: het gaat over een door Van den Berg op het nippertje aan de vergetelheid ontrukte schrijfster en haar oeuvre van honderd jaar geleden. Over de werkelijke identiteit van deze schrijfster is weinig bekend. Zij noemde zich Dé-Lilah; Van den Berg identificeert haar tenslotte als 'Lucie van Renesse', maar dat is niet haar meisjesnaam; hoe die luidde is blijkbaar niet meer te achterhalen.

Dé-Lilah beschreef zichzelf inderdaad als een 'nonna', maar haar boeken gingen niet specifiek over Indo's; het waren min of meer keukenmeidenromans, zoals er in die tijd zoveel zijn geweest, iets als de tegenwoordige Bouquetreeks, maar het bijzondere was dat zij in Nederlands-Indië speelden en Dé-Lilah er in blijk geeft van een opmerkelijk observatievermogen: 'hoewel de hoofdfiguren door gebrek aan psychologisch talent schimmig en verward blijven', schrijft Van den Berg, 'is de beschrijving van de wereld om hen heen vaak uniek en - zeker voor die tijd - in de Indische belletrie nog niet eerder vertoond.'

Voor tenminste één van de titels ben ik in staat dat te bevestigen. De boeken van Dé-Lilah waren tot voor kort volkomen onbekend en onvindbaar, maar dankzij een bevriende antiquaar kende ik er één, namelijk Hans Tongka's carrière, twee delen, verschenen in 1898. Dit boek speelt net als Rubber en Koelie van Madelon Lulofs in Deli, Sumatra's Oostkust, de streek waar ik ben opgegroeid, zodat niet alleen de plaatsnamen maar ook allerlei andere bijzonderheden mij bekend en vertrouwd zijn; ook een eerdere publicatie van Van den Berg ('Beesten, die men muilband en ketting heeft afgenomen,' Bzzlletin 23/214, Maart 1994) had mij nieuwsgierig gemaakt.

De kwaliteit van dit observatievermogen maakt het intrigerend dat Dé-Lilah's boeken, zoals Van den Berg ook constateert, als romans bijna onleesbaar zijn. Waar schuilt dat toch in? Het zonderlinge is dat je voor iedere tekortkoming wel een paar meesterwerken kunt noemen die er ook aan lijden. De psychologische, chronologische en zelfs fysieke anomalieën bijvoorbeeld: bij allerlei grote schrijvers, van Balzac tot Dostojewski en van Dickens tot Maarten 't Hart kun je soortgelijke onwaarschijnlijkheden vinden. En de waarheid, wat mij betreft, is dat ze daar inderdaad ook vaak opvallen, maar op een of andere manier doet het er niet toe, je voelt dat het irrelevant is bij de doordringende authenticiteit van het verhaal. Waarom geldt dat in dit geval dan niet? Ik heb er geen bevredigende verklaring voor en zo'n verklaring ben ik ook nooit ergens tegengekomen. Maar het blijft onloochenbaar waar, het is niet denkbaar dat dit niet meer dan een modekwestie zou kunnen zijn, verklaarbaar in termen van 'heersende' of 'persoonlijke' smaak.

Complimenteus

Wel is zeker dat Dé-Lilah's beschrijvingen van de Indische achtergronden veel ongekunstelder, eerlijker en oprechter zijn dan overeenkomstige passages in betere of in elk geval minder slechte boeken, die over Nederlands-Indië allemaal veel complimenteuzer en slaafs-eerbiediger zijn. Van den Berg schrijft dat toe aan de Indo-Europese afstamming van de schrijfster; dat zal ongetwijfeld ook een deel van de verklaring zijn, maar ik denk dat er toch wel iets meer aan vastzit: veel Indo-Europeanen waren (en zijn) tegenover de koloniale realiteit, zelfs in hun bezwaren, juist nogal conformistisch. Een scherpe kritische blik als die van Dé-Lilah is geloof ik meer een kwestie van persoonlijk temperament, een soort talent, en wat ook relevant zou kunnen zijn is het feit dat Dé-Lilah een Europese opvoeding had genoten.

Wat vermoedelijk wel veel met Dé-Lilah's Indo-Europese identiteit te maken moet hebben is haar bekendheid met-, en enthousiasme voor allerlei manifestaties van de cultuur van het land. Van den Berg is er in geslaagd mij heel nieuwsgierig te maken met wat hij schrijft over Dé-Lilah's bundel korte verhalen, Een Indisch dozijntje, ook uit 1898, waarin een stamboel-opera voorkomt. Een van de eerste dingen die ik zal doen zodra de tijd-machine wordt uitgevonden is teruggaan naar mijn geboorteland om zo'n voorstelling te zien. Europeanen in Indië waren er meestal niet van gediend, ze zagen het als een barbaars spektakel van gillende inlandse zangeressen met geblankette gezichten, en zo werd er in de zogenaamde. 'Indische romans' ook altijd over geschreven.

'Hoe anders', schrijft Van den Berg, 'gaat het toe in Dé-Lilahs stamboelverhaal. Natuurlijk vindt ook zij het een 'spektakelstuk', maar zij meldt tevens dat men kan spreken van 'Werkelijk alleraardigst, goed gespeeld en geestig toneel'. Maar zij gaat verder en neemt de moeite om het hele stuk, van bedrijf tot bedrijf weer te geven. Een beetje scenarioschrijver zou uit haar beschrijving het stuk zo kunnen reconstrueren in toneelvorm. Zij neemt het gebodene dus wèl serieus en aan die positieve grondhouding danken wij - voor zover ik kan nagaan - de enige gedetailleerde beschrijving van een stamboelstuk van rond de eeuwwisseling..'

Tabaksblad

Wat zou ik die beschrijving graag eens lezen. Het aardige van de manier waarop Van den Bergs pamflet is uitgegeven is dat er behalve een aantal prachtige foto's ook een paar realistische bijlagen aan de tekst zijn toegevoegd, zoals een verpakt tabaksblad. Een andere bijlage is een reproductie van het programma van een stamboelvoorstelling met de profetische titel: Het verloren paradijs ('Hoe Lucifer zijn wraak zocht') uit 1928. Het is een fascinerend document. De naam van de voornaamste actrice blijkt 'Miss Coprices' te zijn (niet Caprices maar Coprices). Ik stel mij daarbij iets voor in de geest van de legendarische Miss Riboet ('juffrouw Lawaai'), die ik als kind nog op de NIROM heb gehoord.

Op dat affiche wordt ook de korte inhoud van het stuk gegeven, niet hetzelfde stuk uiteraard en veel beknopter samengevat dan dat voorkomend in het korte verhaal van Dé-Lilah, maar ook dat is al een volkomen wonderlijke geschiedenis, absurd en geheimzinnig, sprookjesachtig, pure Raymond Roussel; je tracht je voor te stellen hoe het er op het toneel uit moet hebben gezien.

De gedachte om zo'n verhaal uit te werken is onweerstaanbaar, en ik kan in het diepste geheim mededelen dat de schrijfster Paula Gomes en ik het plan hebben opgevat eens te proberen zo'n opera te reconstrueren. Van veel stamboelliedjes zijn de melodieën bewaard gebleven, in ieder geval op schrift (ik las eens ergens dat er tot aan de oorlog wel een miljoen stamboelplaten zijn gemaakt: daar moeten toch wel een paar van over zijn?), en die zouden opnieuw dienst kunnen doen.

Wat er eigenlijk achter zit is de ontroostbare gedachte dat er van al die opera's niet één bewaard is gebleven, niet één ooit verfilmd, terwijl er toch in Nederlands-Indië heel wat filmploegen hebben rondgelopen. Maar net als de Indische schrijvers vonden zij het vermoedelijk lelijk. Hondenbruiloft, geen serieuze aandacht waard.

Van elk der zes boeken van Dé-Lilah bestaat tenminste nog één exemplaar. Joop van den Berg geeft de titels en huidige verblijfplaatsen, en ook citeert hij uit de weinige besprekingen die destijds zijn verschenen. In de Indische literatuurgeschiedenissen van Nieuwenhuys en Beekman komt Dé-Lilah niet voor. 'Op de vraag of dat terecht of onterecht is wil ik nu even niet ingaan',schrijft Van den Berg. Haar betekenis vat hij als volgt samen: 'Na 1902 valt er een absolute stilte over het leven en werk van Dé-Lilah. Ten onrechte, meen ik, want er zijn een paar illustere wapenfeiten uit haar korte schrijversleven vermeldenswaardig. Die zijn, in kort bestek: de eerste Deli-tabaksroman uit de Indisch-Nederlandse letterkunde met grote aandacht voor de koeliemishandeling en het vrouwenmisbruik, vervolgens het levendige en uitzonderlijke reisboek van mevrouw Klausine Klobben, en last but not least haar Indo-Europese afkomst en de daarmee sterk verbonden andere visie op de koloniale maatschappij.'