Breekbaar als kaarsvet

A.M. Koldeweij en A. Willemsen (red.),: Heilig en Profaan; laatmiddeleeuwse insignes in cultuurhistorisch perspectief, Van Soeren & Co., 104 blz., ƒ 28,-

Na zijn schenking van 8.000 pre-industriële gebruiksvoorwerpen, van scharen tot spaarpotten, beloofde H.J.E. van Beuningen af te rekenen met zijn verzamellust. Het was mooi geweest. Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam liet voor zijn cadeau een paviljoen bouwen, en daarmee leek de taak van de verzamelaar volbracht. Thuis lagen nog wel wat devotionalia, maar dat mocht geen naam hebben. Inmiddels bezit Van Beuningen, neef van de museale naamgever, alweer zo'n drieduizend Nederlandse en Vlaamse insignes, de grootste en mooiste collectie van laatmiddeleeuwse draagtekens.

Ter herinnering aan een heilige of heiligdom prijkten deze lood-tinnen insignes op mutsen en mantels. Meestal hadden ze een magische functie, als amulet konden ze onheil afweren of voor voorspoed en vruchtbaarheid zorgen. Vòòr 1960 kwamen ze al sporadisch uit de Europese bodem te voorschijn, maar van onderzoek en documentatie was nauwelijks sprake. De laatste decennia doken er dankzij metaaldetectoren grotere aantallen op in de slikken van Zeeuwse wateren, in de bodem van Amsterdam, in de Theems, de Weser, de Rhône en de Seine. De meeste insignes zijn dun als wafeltjes en breekbaar als kaarsvet. Tussen de 12de en 16de eeuw werden ze en masse geproduceerd. Bij de 525 bedevaartsoorden die destijds in 440 Europese plaatsen te vinden waren, moeten de gieterijen in ploegendiensten hebben gedraaid.

Over de religieuze insignes is inmiddels redelijk wat bekend, maar over de soms absurdistisch realistische, profane exemplaren - een wandelende fallus, een paardrijdende vulva - tast men nog in het duister. Verwijst een pijl en boog naar een schuttersgilde of had zo'n speldje het op een dame gemunt? En waarom hangen er belletjes aan de eikel van die penis? Dankzij die gepubliceerde lezingen van uiteenlopende specialisten, bijeengekomen op een studiedag in 1994 in Museum Boijmans Van Beuningen, weten we nu iets meer over de betekenis en de cultuurhistorische context.

Dat drie centimeter hoge, iele mannetje, bijvoorbeeld, dat met een zwaard op schoot gewichtig zit te zijn, is Karel de Grote. Want de kledingdetails komen sterk overeen met diens 15de-eeuwse standbeeld in Zürich. Het is aardig te lezen dat zo'n insigne vermoedelijk in Keulen ter verering van deze keizer werd gemaakt en door een pelgrim, op doorreis naar Rome, ergens in Rotterdam moet zijn verloren. We weten nu ook waarom dat dametje, op een ander insigne, zo demonstratief haar rok optilt: rolde het onweer naderbij, dan rende ze naar de stadsmuur om vandaar demonstratief haar vagina aan de hemel te tonen: 'de kosmos zij gewaarschuwd!' Zelfs een leeuw sloeg voor een vulva op de vlucht, meende men nog in de 16de eeuw.

Volgens kunsthistoricus J.B. Bedaux wordt ten onrechte een verschil gemaakt tussen de religieuze en scabreuze insignes. Voor de middeleeuwer deed een heilige niet onder voor een gevleugelde fallus. Ook die bood als dreigsymbool bescherming. In zijn obscene vormgeving - als kolossale neus en viervoetig gedrocht - die teruggaat tot de Griekse oudheid en voorkomt in middeleeuwse manuscripten, trok hij de aandacht van de duivel en de kwaadaardige medemens. Zodoende bleef de drager voor ellende gespaard.

Jaap van Os legt bij de erotica een verband met de 13de-eeuwse Franse fabliaux, moralistische, korte verhalen in versvorm. Krachtige titels als 'Over de kut die met een spade gemaakt was' en 'De ridder die de kutten liet spreken' doet menigeen vermoeden dat vooral burgers en buitenlui zich destijds over die plastisch aangeduide hoofdrolspelers amuseerden. Integendeel; juist de adel was dol op die teksten, want men zette zich toen gretig af tegen de gevestigde, clericaal-Latijnse cultuur.

De artikelen variëren van een grondige uiteenzetting over de laatmiddeleeuwse rol van de valse vos tot een opsomming van de wonderen der bedevaartsoorden. Ze doen uitkijken naar een dikke inventarisatie, waarin al die miniaturen op ware grootte staan afgebeeld en waarin elk afzonderlijk tot op de bodem worden geïnterpreteerd.